Tonja Kivits

de dodelijke verstrengeling tussen psychiater en patiënt

In 1946 wordt aan de Amerikaanse psychiater Douglas Kelley (1912 – 1958) gevraagd zorg te dragen voor de geestelijke gesteldheid van 22 prominenten van het naziregime die in de gevangenis van Neurenberg gevangen zitten na hun ter dood veroordeling. Onder hen bevindt zich Hermann Göring, (1893 – 1946), opperbevelhebber van de Luftwaffe en aangewezen opvolger van Adolf Hitler.

Kelley is enthousiast want wil ontdekken of deze nazimisdadigers geestelijk gestoord zijn of gewoon mensen zijn zoals u en ik. Vijf maanden lang zal hij zeer intensief deze gevangenen onderzoeken, waarbij hij zijn stokpaardje – de Rorschachtest – inzet om het bewijs van zijn these te kunnen onderbouwen. Tot grote verwondering van Kelly komt uit deze test naar voren dat Göring een introverte en niet, zoals men zou verwachten, een extraverte persoonlijkheid zou zijn. Göring zou bovendien, volgens Kelley, egocentrisch en narcistisch zijn. Maar verder benadrukt hij dat er met Göring qua persoonlijkheidsstoornis niets aan de hand is.

Hoewel als de nazi-gevangenen op een dag een film moeten bijwonen die is gemaakt door Britse en Amerikaanse soldaten waarop te zien is hoe het eraan toe gaat in de concentratiekampen, ziet Kelly met eigen ogen hoe Göring en zijn medegevangenen totaal onverschillig reageren bij het zien van de afschuwelijke beelden. Maar hij negeert dit signaal.

Tussen de jonge psychiater Kelly en de rijksmaarschalk Göring ontstaat een warme band, en ze steken elkaars waardering niet onder stoelen of banken. Kelly is vol bewondering voor Göring en waardeert zijn intelligentie; Göring vindt deze jonge ambitieuze Kelly een uitdaging.

Maar dan gebeurt er iets wat Kelly niet had voorzien…. of toch….? Een paar uur voor zijn doodvonnis – door ophanging – zou worden uitgevoerd pleegt Göring zelfmoord. Ondanks dat de gevangenen extreem beveiligd worden, want elke deur van de gevangene wordt dag en nacht bewaakt, lukt het Göring toch om een einde aan zijn leven te maken want wil – ‘waardig’ – sterven, en beschouwde ophanging voor gewone misdadigers. Hij gebruikt daartoe het dodelijk middel cyanide.

Kelley bevindt zich dan in Amerika, en geniet volop van zijn succes. Hij is een t.v.-persoonlijkheid en wordt gevraagd voor conferenties, en interviews voor kranten en tijdschriften. Maar… de buitenkant liegt – net als bij zijn grote voorbeeld Göring. Want Kelley wordt steeds meer meglomaan en terroriseert zijn vrouw en zijn 3 kinderen, met name zijn zoon die net als hij ook Douglas heet.

Het is zondagmiddag nieuwjaarsdag 1958 als Kelley en zijn vrouw tijdens het voorbereiden van de maaltijd in een woordenwisseling geraken – zoals dat schering en inslag is in het gezin Kelly. Kelley stormt woedend naar boven terwijl hij zijn vrouw en zijn kinderen toeschreeuwt – ‘ik ga nu deze capsule cyanide innemen en zal binnen 30 seconden dood zijn.’

Zo gezegd zo gedaan. Psychiater Douglas Kelly – 45 jaar oud – maakt een einde aan zijn leven met hetzelfde gifmiddel – cyanide – 10 jaar na de suïcide van Hermann Göring. Waarom heeft de therapeut Kelly hetzelfde vergif genomen – dat overigens niet gebruikelijk is als men zelfmoord pleegt – als zijn patiënt Rijksmaarschalk Göring, is de vraag die zich onherroepelijk opdringt? Want als psychiater had hij zonder grote problemen gewoon een ander middel kunnen nemen, en hij beschikte zelfs ook – zoals in Amerika gebruikelijk is – over een en zelfs meerdere pistolen in zijn huis. Of is hier sprake van een dermate identificatie met Göring dat Kelley zelf Göring is geworden? Een these die zijn zoon Douglas later zou onderschrijven.

de vrouw – de schaamte voorbij

Het gaat goed met onze economie, horen we deskundigen in koor uitroepen. De Nederlander is tevreden en optimistisch. Maar wie verder kijkt, weet wel beter. Want in een en dezelfde adem wordt ons ook – zij het minder trots – meegedeeld dat vrouwen nog steeds minder verdienen dan mannen en nog steeds niet weten door te dringen tot goede banen en interessante posities. De roep om een vrouwen gelijkwaardigheidsquota is nog steeds broodnodig.

Want de gunstige economie of het tikken van de biologische klok ten spijt, het moederschap en de huwelijkse staat scoren nog hoog bij vrouwen. Het is het enige waarmee ze zich kunnen identificeren. Want het ontbreekt de vrouw nu eenmaal aan een archetype in het collectieve onbewuste. De zoon heeft Jezus, maar de dochter moet het doen met Maria, een vrouw weliswaar maar wel een heel bijzondere, een moeder namelijk die zonder geslachtsgemeenschap een kind heeft gebaard. Het enige archetype dat een vrouw eventueel tot haar beschikking heeft is Eva, maar die werd wegens haar assertiviteit en seksuele nieuwsgierigheid uit het paradijs verdreven.

De optocht van vrouwen om een gelijkwaardige positie te verwerven verloopt moeizaam, en dat kunnen vrouwen zichzelf ook verwijten. Of liever gezegd, het zijn de moeders die hun dochters blijven opzadelen met gevoelens van onzekerheid en minderwaardigheid. Nu is dit ‘het-is-de-schuld-van-mijn-moeder’-idee uiteraard niet nieuw. Moeders staan tenslotte aan de wieg van elk nieuw leven, van zoontjes en van dochtertjes. Dus dat mannen opgroeien tot onderdrukkende macho’s en meisjes tot onzekere, instabiele naar goedkeuring hunkerende vrouwen is gemakkelijk terug te voeren tot de relatie met de moeder. Moeders, kortom vrouwen, zouden derhalve de sleutel tot verandering in handen hebben.

Vele theorieën zijn op dit raadsel al losgelaten. In de jaren zeventig verrichtte de Amerikaanse sociologe en psychoanalytica Nancy Chodorow baanbrekend werk met haar klassieker ‘Waarom vrouwen moederen‘. Haar conclusie luidde dat moeders hun zonen anders, in veel opzichten gunstiger en positiever benaderen dan hun dochters. Haar pleidooi voor gedeeld ouderschap, zodat dochters door hun vaders van deze positieve discriminatie konden profiteren, bleef jarenlang een veelgehoorde wens, maar bleek in de praktijk toch moeilijker te realiseren dan op papier.

Veranderingen komen moeizaam op gang, zijn zeer moeilijk te realiseren, zoals de voorbije feministische golf pijnlijk heeft blootgelegd. Maar sinds korte tijd gloort de zon aan de horizon. De ‘Me-too’-beweging heeft een revolutie in gang gezet, en de vrouwen zijn hun schaamte en nederigheid in rap tempo voorbij aan het snellen. Zo las ik vanmorgen weer in de krant dat ongehuwde zwangere vrouwen in de jaren 50 en 60 hun kind moesten afstaan zonder dat er met hen overleg kon worden gepleegd. Het gebeurde gewoon. en nu – let wel – bijna 70 jaar na dato, gaan deze vrouwen aan de bel trekken. Eindelijk…. de schaamte voorbij.

FEMME FATALE: VON KOPF BIS FUSS AUF LIEBE EINGESTELLT

Toen Eva, aangezet door de slang, van de verboden boom een vrucht nam en die aan Adam gaf, waardoor ze hen beiden in het verderf stortte, werd ze daarmee de eerste femme fatale van de mensheid. Verlokkelijk aan de buitenkant, maar o zo kwaadaardig en onberekenbaar aan de binnenkant, zo luidde het oordeel dat sindsdien over haar zuster-volgelingen zou worden uitgesproken.

Marlène Dietrich (1901 – 1992) vertolkte als de revuezangeres Lola met verve en allure de femme fatale in de film van Josef von Sternberg Der Blaue Engel (1930) met haar lied Ich bin von kopf bis fuss auf liebe eingestellt. Iedereen lag aan haar voeten en professor Unrath volgde haar als een slaaf, compleet in de ban van haar schoonheid. Hij werd een schaduw van haar schaduw en ging uiteindelijk ten onder.

Hoe kon die armzalige, bescheiden Unrath haar ook weerstaan? Met haar halfgeloken ogen, haar zwaar aangezette, lange wimpers, haar hese trage stem, haar uitzonderlijk prachtige lange slanke benen, belichaamde Marlène Dietrich niet zomaar een vrouwelijk type dat weet te verleiden, een speelpop van de man, een seksueel object, maar was ze de belichaming van La Femme, De Vrouw, als mythe.

Greta Garbo (1905-1990) speelde in Mata Hari (1931) de sterren van de hemel en haar naam als femme fatale kon haar – ondanks dat ze zelf deze titel verafschuwde – niet meer worden ontnomen. Garbo bracht, net als Dietrich, met haar marmeren gelaat, haar zwoele, hese, slepende stem, haar mysterieuze, arrogante blik, de mythe van de femme fatale tot leven. Een mythe die voor Dietrich en Garbo, maar ook voor de moderne femmes fatales een zodanig ritueel en realiteit is geworden waaraan ze niet kunnen ontsnappen, waaraan ze totaal zijn onderworpen. Een andere – normale vrouwelijke – identiteit is voor hen onmogelijk en buiten hun bereik.

Maar wie gaat er schuil achter het masker van de femme fatale, die als een soort vleesetende plant wordt voorgesteld die haar prooi aantrekt om de man daarna te verzwelgen? Was will das Weib? riep vrouwenkenner bij uitstek Sigmund Freud (1858-1939), de vader van de psychoanalyse, vertwijfeld uit, zonder ooit een bevredigend antwoord op zijn eigen vraag te vinden. Is niet elke vrouw, zo wordt steevast beweerd, per definitie fataal en boezemt ze niet altijd angst en ontzag in? De vrouw is immers, doordat ze kinderen kan baren, meesteres over het leven. Zij is er de stille getuige van dat de man niet alles in zijn macht heeft, ook al probeert hij haar, zoals de geschiedenis wreed vertelt, te temmen, haar als heks te laten verbranden, te verkrachten, of aan het gezichtsveld compleet te onttrekken door haar te verplichten haar lichaam en zelfs haar gelaat achter sluiers te verbergen.

“Ik herinner me,” zo vertelde me een femme fatale die volgens eigen zeggen een notoire mannenverslindster is, “hoe ik als klein kind tegen mijn twee jaar oudere broer opkeek. Ik probeerde hem in alles te overtreffen. Beter te zijn op school, met sporten, in het spelen van muziek. En, ik moet zeggen, het is me uiteindelijk gelukt.” Maar echt gelukkig prijst ze zich niet met haar overwinning. “Hoewel ik alle ingrediënten bezat die nodig waren om gelukkig te worden,”verzuchtte Greta Garbo meer dan eens, “voelde ik onvrede met mezelf en was ik vaak depressief.”

De femme fatale beseft dat ze, in tegenstelling tot haar mannelijke rivalen, die macht slechts ‘te leen’ heeft. Van Dietrich wordt gezegd dat ze zich ‘emotioneel een man voelde’, en zelf opperde ze dat ze ‘biseksueel’ was. Ook Garbo was niet duidelijk over haar voorkeur voor mannen of vrouwen. Dat ze eventueel ook lesbisch was heeft ze evenwel bevestigd noch ontkend.

De femme fatale is er niet op uit de man te beminnen. Rücksichtlos ontdoet ze zich van hem. Hij is immers haar eeuwige rivaal in de strijd om de macht, die hij wel bezit en waarvan zij is verstoken. Maar dit spel van beul en slachtoffer kent geen overwinnaar. Greta Garbo trok zich terug in totale afzondering en eenzaamheid. En nooit verliet Marlène Dietrich haar Parijse appartement.

Ich bin von kopf bis fuss auf Liebe eingstellt, zong Dietrich zwoel. Zelf mocht ze de ‘ware liefde’ niet smaken. Geen enkele man kon haar geven wat ze werkelijk zocht. Ook Greta Garbo bleef verstoken van de ideale man. De femme fatale is fataal voor de ander en voor zichzelf. Gevangen in de strikken van de mythe waarin ze gevangen zit, is ze gedoemd het spel te spelen tot het bittere einde. Ontsnappen is niet mogelijk tot de dood haar kan bevrijden.

MIJN NAAM: WAAKHOND TEGEN DE GEKTE

Het complete oeuvre van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) beslaat niet meer dan 5 boeken. Het aantal commentaren, studies, analyses en kritieken daarop omvat inmiddels het honderdvoudige. Joyce is een groot schrijver; men schaart hem zelfs onder de allergrootsten. De problemen beginnen pas als men Joyce probeert te doorgronden. Jaar in jaar uit sloven geleerden zich uit om het fenomeen Joyce te ontrafelen. Joyce zelf kan tevreden zijn. Zijn wens onsterfelijk te zijn – ‘Ik heb zoveel raadsels en puzzels in mijn werk gestopt dat ik de professoren nog eeuwen bezig zal houden’– gaat zonder meer in vervulling.

Taal bepaalt het leven en denken van de mens, zo leert ons de psychoanalyse. Sigmund Freud (1856-1939) sprak in zijn Traumdeutung (1900) van de droom als rebus. Iets wetenschappelijker gezegd: de ‘symbolische‘ orde domineert de orde van het beeld – de image – en de orde van de psychische realiteit, respectievelijk de ‘imaginaire’ en de ‘reële‘ orde genoemd.

Maar Joyce heeft deze structuralistische benadering die in de jaren vijftig en zestig het Franse psychoanalytische en wetenschappelijk klimaat beheerste gecorrigeerd. Niet meer één orde, die van de taal, overheerst de twee andere – de imaginaire en reële orde – , maar alle drie hebben ze dezelfde waarde. Hoe heeft Joyce dat voor elkaar gekregen? Laten we dat nader gaan bekijken in het oeuvre van Joyce zelf.

Joyce moet net als de hoofdpersoon Stephen Dedalus in Stephen’s Hero onophoudelijk schrijven om niet waanzinnig te worden. Stemmen geven Stephen / Joyce de opdracht om te schrijven. In zijn laatste boek Finnegans Wake bereikt deze waanzin zijn hoogtepunt. De stem die voorheen nog van buitenaf tegen Joyce spreekt, wordt nu zelf ingebracht in het schrijven en maakt daar een wezenlijk onderdeel uit. Finnegans Wake is slechts te ‘begrijpen’ als het hardop wordt gelezen. Hiermee is Joyce niet enkel meer auteur maar ook lezer geworden, en zo bereikt hij een dubbel soort genieten – jouissance -: hij leest zichzelf en hij hoort zichzelf schrijven.

Maar welke stem wil Joyce in feite laten spreken? De cruciale vraag waarmee Stephen Dedalus onophoudelijk wordt geconfronteerd luidt: ‘Wat is je vader? Wat voor soort naam is dat?’ Dedalus is inderdaad een rare, ongewone, bijzondere naam. Hij is niet, zoals een naam hoort te zijn, nl. de naam van de vader. Voor Stephen / Joyce heeft de naam van de vader géén symbolische betekenis gekregen. In Portrait of the Artist as a Young Man laat Joyce vader Simon tegen zijn zoon Stephen zeggen: ‘Ik praat tegen je als een vriend, Stephen. Ik geloof er niet in om de strenge vader te spelen. Ik geloof er niet in dat een zoon bang zou moeten zijn voor zijn vader. Nee, ik behandel je net zoals je grootvader mij behandelde toen ik nog een jonge vent was. We waren meer broers dan vader en zoon.

En zo komen we dus bij de vierde orde, naast die van de symbolische, imaginaire en reële, nl. die van ‘de naam van de vader‘ en die nodig is om de drie andere bij elkaar te houden. In het verhaal van Simon Dedalus ontbreekt deze laatste orde omdat hij geen symbolische inhoud aan zijn vaderschap wil/kan geven, en dit heeft catastrofale gevolgen voor zijn zoon Stephen. Het duizelt hem, hij opent zijn ogen die hij tot dan toe gesloten had gehouden, hij wordt getroffen door de zon die hem verblindt, dan raakt hij de beheersing over zijn stem kwijt, de letters beginnen te trillen en Stephen verliest het bewustzijn. Hij herinnert zich niets meer. Met andere woorden, door deze ‘simpele’ mededeling van vader Simon dat hij géén vader wil zijn, stort de hele – imaginaire en reële – wereld van Stephen in.

Stephen probeert de ‘ramp’ te herstellen door hardop te declameren. ‘Ik ben Stephen Dedalus. Ik loop naast mijn vader wiens naam Simon Dedalus is. We zijn in Cork, in Ierland. Cork is een stad. Onze kamer is in het Victoria Hotel. Victoria en Stephen en Simon. Simon en Stephen en Victoria. Namen.’ De eigennamen vormen een keten, waarbij de naam van de vader – Simon – het punt is waarop hij rechtsomkeert maakt.

Uit dit fragment leren we hoe Joyce eigennamen en ook elders letters en inintialen – S.D. – als een symbolische kapstok gebruikt om de imaginaire beelden en de reële orde bij elkaar te kunnen houden. Door het schrijven van namen probeert Joyce een eigen naam te creëren, die de vader hem eigenlijk had moeten geven, om zo aan de waanzin te ontsnappen. Zo wordt het schrijven voor Joyce het symptoom waardoor hij de drie orders bijeen kan houden en als een ‘normaal’ mens verder kan blijven functioneren. Het laatste woord ‘the‘ van Finnegans Wake laat zich verbinden met het eerste woord waarmee het boek begint – riverrun – en zo is de cirkel weer rond en gesloten.

eenzaam maar niet alleen, alleen maar niet eenzaam

“Eenzaam maar niet alleen,” was de titel van het boek, verschenen in 1959, van koningin Wilhelmina (1880-1962), waarin ze vertelt van haar leven als koningin des vaderlands. Inderdaad nooit alleen, altijd omringd door lakeien en bedienden, een vorstelijk leven, zou je denken.

Maar kunnen we dit ook anders verwoorden als ‘alleen maar niet eenzaam’. Is de mens een sociaal dier bij wie intieme relaties de voornaamste, zo niet de enige bron van menselijk geluk vormen? Of is de mens een Einzelgänger die pas in volledige afzondering en eenzaamheid zijn creatieve geest ten volle kan benutten en zichzelf tot wasdom kan ontplooien? Beethoven, Chopin, Kafka, Kierkegaard, Kant, en ga zo maar door, waren allen ongetrouwd of hadden af en toe vluchtige relaties. En was Mahler weliswaar getrouwd met Alma, maar bracht de meeste tijd door in zijn eigen afgelegen huis waar hij in totale afzondering zijn composities vervaardigde.

Dat wil niet zeggen dat deze componisten, filosofen of schrijvers vreemde of kopschuwe mensen waren, of afweken van de gewone, alledaagse normen. Pas nadat de opvatting postvatte dat een relatie de sine qua non was voor gelukkig zijn, werd de alleenstaande meewarig en zelf meelijwekkend benaderd.

Vele belangrijke dingen in ons leven doen we alleen. We dromen alleen, we denken alleen. Het alleen-zijn is noodzakelijk voor het optimaal functioneren van de hersenen. Concentratie vereist dat we ons afsluiten van de wereld om ons heen, en juist het scheppen van iets nieuws vergt de uiterste concentratie. Alleen-zijn heeft ook veel positieve waarde. Door het alleen-zijn kunnen we in contact komen met onze diepste gevoelens. We doen nieuwe ideeën op, we denken na over onszelf en kunnen alle tijd nemen om onszelf te ontplooien Maar dat hoeft niet altijd in eenzaamheid en alleen op een zolderkamertje te gebeuren.

De mens wordt in feite beheerst door twee drijfveren die elkaar dwarsbomen: aan de ene kant heeft men behoefte aan gezelschap of een relatie met een ander; aan de andere kant wil men onafhankelijk en autonoom zijn. En het is juist deze tweeledigheid die als die in goede samenhang kunnen plaatsvinden ons gelukkig maakt. Want juist de ander als spiegel, als tegenhanger, als klankbord die ons tegenwicht biedt, is van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van onszelf. Vandaar dat alleen zijn met weliswaar een heel hoop connecties om je heen, de mens niet echt gelukkig kan maken. Een echte soulmate – zoals dat in goed Nederlands heet – is van meer belang om jezelf te leren kennen en ontdekken, te ontplooien en te ontwikkelen. of zoals Rimbeau zo treffend zei: “j”est un autre”.

In ons huidige samenleving is alleen-zijn uit den boze, ondanks dat het aantal alleenstaanden met enorme aantallen is toegenomen. Bij die alleenstaanden maakt het echter een verschil of ze gescheiden zijn, dus een relatie met de ander hebben kunnen toelaten, of nooit een relatie hebben kunnen of durven aangaan. Deze laatste groep kenmerkt zich door een geslotenheid, dat wil zeggen wel het kunnen aangaan van vriendschappen en contacten maar het niet echt wezenlijk toelaten van de ander. Ze hebben hun leven goed op orde maar dat is dan ook alles, er zit geen groei en ontwikkeling in hun persoonlijkheid in, omdat ze het tegengesproken worden of zelfreflectie uit de weg gaan. in feite geldt hier wat koningin Wilhelmina zo treffend zei “niet alleen maar wel eenzaam. “

Of zoals het geval is met ouderen die alleen wonen en die worden neergezet als eenzaam en ongelukkig. Maar ook hier geldt de norm dat als die alleenstaande ouder in staat is de ander toe te laten, dan is die ouder wel alleen maar niet eenzaam. In bejaardenhuizen en zorginstellingen is je terugtrekken op je eigen kamer ongewenst en wordt men verplicht deel te nemen aan allerlei activiteiten. Maar zoals gezegd, dan ben je, zoals koningin Wilhelmina al zei, “niet alleen maar blijf je toch wel eenzaam. ”

de penisnijd van de ‘moderne’ man

Eens, heel lang geleden, wilde ik mezelf omscholen. ik zat in het onderwijs en dat beviel me totaal niet. Het bedrijfsleven leek me veel uitdagender en daar lagen, dacht ik, zoveel mogelijkheden om van koers te veranderen en nieuwe wegen in te slaan. Toch heb ik van mijn plan afgezien en ik weet nu dat ik daar goed aan heb gedaan.

Want in het bedrijfsleven, met name onder managers, zzp’ers en mensen die werken in de vrije sector, bestaat een verhoogd risico op afgunst en jaloezie. Bij hen, zo zou uit onderzoek blijken, zijn afgunst en jaloezie bovendien intenser en heftiger dan bij mensen met een relatief eentonig beroep, zoals ambtenaren of stratenmakers.

Er is een tijd geweest dat dit soort emoties van jaloezie en afgunst niet bestond. Zo had Friedrich Engels (1820-1895) al geconstateerd dat onze voorouders pas afgunstig en jaloers zouden zijn geworden nadat ze hun pijlen en bogen hadden neergelegd om de akkers te gaan bewerken. Als jagers leefden ze frank en vrij, maar toen ze zich op één plek nestelden kregen ze grond en bezittingen. Het matriarchaat waarin vrouwen het nog voor het zeggen hadden, veranderde in patriarchaat. Mannen werden heersers, vrouwen en kinderen hun bezit en daarmee werden afgunst en jaloezie een feit, want wat men bezat kon men ook weer verliezen aan vijand of rivaal.

Onze huidige maatschappij is bij uitstek een broedplaats waarin afgunst en jaloezie opperbest gedijen. De competitie- en concurrentiemolen draaien op volle toeren. ‘Kan nu echt van ons verlangd worden dat we vijf of zes dagen per week een concurrentiestrijd leveren met medeburgers en collega’s om geld, macht en succes en dat we dan op de zevende dag het concurrentie- en rivaliteitsdenken naast ons neerleggen om ons aan de liefde en de medemenselijkheid te wijden?’

Hopeloos is het gesteld met mensen die werken zonder plezier en uitsluitend voor het geld. Om maar te zwijgen van hen die arm zijn want die blijven fietsen achter de meute en/of de elite, zoals de gele hesjes overduidelijk proberen aan te tonen.

Afgunstige en jaloerse mensen zijn kortzichtig en onrealistisch. Mannen scoren hoog op de ladder van jaloezie en afgunst als het gaat om hun reputatie, hun aanzien en – uiteraard – om hun mannelijkheid, dwz. om de ‘grote penis’ van hun rivaal, althans om hun idee dat een ‘grote penis’ het meest verleidelijk orgaan is om een vrouw voor zich te winnen. Mannen – goed uitziende, zongebruinde, succesvolle mannen – die schoorvoetend en na veel erom heen draaiend (want daar praat een man toch zeker niet over) huilend vertellen dat hun penis te klein is…. en van dat idee niet af te brengen zijn, zijn talrijk.

En achter het getatoeëerde lichaam van de huidige macho schuilt onoverkomelijk dit drama van de ‘penisnijd‘. En niet voor niets worden in de voetbalwereld waar het stereotiepe mannelijk penis-ideaal nog steeds hoogtijdagen viert homo’s en vrouwvriendelijke, lieve mannen geweerd of met de nek aangekeken. Om maar te zwijgen van vrouwen die zich bewegen op hun terrein en ook voetballen, want zij worden neergezet als gemankeerde vrouwen die zouden lijden aan het ontbreken van de penis. Ja ja, Sigmund Freud (1856-1939) had het destijds al helemaal door toen hij de theorie van de penisnijd lanceerde. Het is en blijft, helaas, een actueel thema.

de kunst van het liegen

‘Hoe kun je weten wanneer een politicus liegt?’ Antwoord: ‘Kijk of hij zijn lippen beweegt…’ Uitgeroepen tot grootste leugenaar van deze eeuw is ongetwijfeld de huidige Amerikaanse president Donald Trump, hoewel zijn Russische evenbeeld Vladimir Poetin voor hem niet echt onderdoet. En zo kunnen we het rijtje aardig aanvullen. Want Rutte en compagnie kunnen ook aardig sjoemelen met de waarheid.

Het opzettelijk de ander om de tuin leiden, het verzwijgen of onwaarheden vertellen is van alle tijden en komt in alle culturen, rangen en standen voor. Sommigen kunnen liegen alsof het gedrukt staat. Goede leugenaars zijn individualistisch, hebben een sterke drang tot competitie en zijn overtuigd van de superioriteit van hun eigen opvattingen. Slechte leugenaars laten zich te veel leiden door bedriegerswroeging of de vrees om betrapt te worden. De gedachte dat anderen hen kunnen doorzien, doet ze al vaak overstag gaan en hun leugen opbiechten.

Maar ook de meer ervaren bedriegers komen er niet altijd zo gemakkelijk van af. Sigmund Freud (1856-1939) beweerde eens dat geen sterveling een geheim weet te bewaren, want men babbelt met de vingers ook al verkeren de lippen in rust. Wat woorden niet hoeven te zeggen, zegt ons lichaam. We gaan zweten, blozen, zenuwachtig met iets friemelen, stotteren of met stemverheffing praten. Volgens Freud zijn we meesters in het sjoemelen met de waarheid. In zijn klassieker ‘Die Traumdeuting’ (1900) liet hij zien hoe informatie in onze psyche wordt getransformeerd en bij iedere halte in het systeem een verandering ondergaat. Zodanig zelfs dat het beeld en het geluid dat we aanvankelijk waarnamen, tegen de tijd dat ze herinneringen zijn geworden, radicaal veranderd zijn. We denken dat we welbewust en weloverwogen onze beslissingen kunnen nemen, maar niets is minder waar. Het onbewuste is ons de baas, en van Freud weten we hoe het onbewuste ons bewustzijn kan manipuleren, als een poppenspeler zijn marionetten. We zijn een meester in het onszelf voor de gek houden, en daardoor zijn we er uiterst bedreven in anderen voor het lapje te houden. Om goed te kunnen liegen moeten we eerst in onze eigen leugens geloven.

Maar zegt onze volkse wijsheid niet: al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Ik spreek de waarheid, zegt de leugenaar. Echter, ontdekken dat iemand liegt of de waarheid spreekt is toch niet zo’n eenvoudige klus. Nogmaals, Donald Trump is er president van de V.S. mee kunnen worden. En dat hij met al zijn leugens ermee weg kan komen, liet de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen (1828-1906) al heel goed zien toen hij zei: ‘Beroof je de gemiddelde mens van zijn levensleugen, dan ontneem je hem ook zijn geluk.’ Liever wenden we ons af en kijken we de andere kant op, totdat we uiteindelijk vergeten, en vergeten dat we vergeten hebben.

tjeetje, ik word gek van m’n eigen jaloezie

Ze leunde ongemakkelijk naar achteren terwijl ze zenuwachtig de ene been over de andere sloeg, dan weer haar linker– dan weer haar rechterbeen, en dat ging minutenlang zo door. Dan ineens ging ze kaars rechtop zitten. ‘Weet je Tonja,’ zei ze met ferme luide stem, ‘ik haat mezelf. Wat een oen ben ik, wat een zielig type.’ Zo ging ze nog even door, totdat ik haar tot de orde riep. ‘Hou nu op jezelf zo de grond in te praten. Je weet toch dat het niet klopt wat je nu allemaal uitbrabbelt.’ Ze werd kalm en lachte: ‘Je hebt gelijk, maar deze gedachten zijn sterker dan ik…’

Aan het woord is een leuke jonge vrouw die samen woont met haar vriend met hun 2 schattige jonge dochtertjes. Betr. meldde zich omdat ze bang is dat haar vriend – een zeer charmante vent op wie elke vrouw – volgens haar – meteen verliefd zou kunnen worden – vreemd gaat. Haar man is muzikant en staat volop in de spotlights.  En hij wordt inderdaad omringd door heel veel jonge en super mooie jonge meiden. Kortom, voer voor al haar jaloezie.  En zo begint haar ellende. Hoewel haar vriend niets kwaads of verkeerds in zinnen heeft,  checkt ze z’n mobiel, z’n mails, speurt ze naar alle mogelijke tekenen dat hij inderdaad een affaire heeft met een andere vrouw.

Jaloezie hoort bij de verliefdheid. Maar pathologische jaloezie is een niet doorsnee liefde want ze is overdreven, wil samenvallen met de ander, is wantrouwend en vereist continu de aanwezigheid van de ander, die ander moet er helemaal voor hem/haar zijn.  De jaloerse persoon  wil helemaal binnendringen in de geheime wereld van de ander, en bestookt deze de hele dag door met vragen, belletjes, sms-jes enz.  Deze jaloezie noopt de persoon om in de zaken van de ander te snuffelen, de telefoon constant te doorzoeken op…., en dan vindt men altijd wel ergens een of andere aanwijzing.

Er zijn 2 vormen van jaloezie:

  1. de angst om kwijt te raken wat je hebt
  2. of dat te willen hebben wat de ander heeft – dus meer bekend onder de term afgunst.

In beide gevallen denkt de persoon dat hijj iets kwijt raakt, zijn identiteit of zijn territorium. En dit kan gepaard gaan met een zeer heftige vorm van gewelddadigheid – ‘Als men mij mijn relatie of mijn geliefde afpakt ben ik bang dat ik minder besta, dat ik tot niets wordt gereduceerd,’ denkt de jaloerse persoon. Begint deze te zoeken naar de aanwezigheid van een ander door steeds maar te vragen wat de ander doet en vooral met wie, dan raakt hij ervan overtuigd dat het object van zijn liefde hem gaat ontsnappen. Dan wordt de jaloezie pathologisch want dan zoekt degene die jaloers is een rivaal, werkelijk of denkbeeldig. Dit kan een ex- zijn of een collega of zelfs een lid van de familie. De pathologische jaloerse mens vergeet de persoon van wie hij houdt en wordt gevangen genomen door degene van wie hij denkt dat zijn plek wordt ingenomen

Jaloers zijn is een angst die te vergelijken is met de angst voor de dood.  Deze val in de leegte, in de afgrond wordt ervaren als het einde van alles waar maar één uitweg rest, zichzelf van het leven beroven want zonder de geliefde is het leven toch niet meer mogelijk.  En de jaloerse persoon zal niet nalaten dat ook luid en duidelijk aan degene die hem zou hebben bedrogen kenbaar te maken.

Zo kent de jaloerse persoon  een dubbele pijn , want bij het verlies van liefde komt nu ook het gevoel belachelijk te zijn. Degene die jaloers is wordt als ziek afgeschilderd, de schuldige die hun relatie op het spel zet, maar de jaloerse persoon zelf wijst deze beschuldiging af en zegt dat hij/zij gewoon een goede intuïtie heeft en voelt dat hij of zij wordt bedrogen. Sommigen kunnen het overspel als een misstap overwinnen, maar anderen bijten zich erin vast.

Jaloezie staat aan het begin van onze beschaving. De duivel is in rivaliteit met God en Kaïn doodt Abel om dezelfde redenen.  Jaloezie komt van het Latijns zelosus of Grieks zelos, bewijs van een overdreven ijver. St Augustinus zei:  ‘Degene die niet jaloers is, is niet verliefd….’ Of in de woorden van de Franse filosoof  La Rochefoucauld (1613-1680): ‘Er is in de jaloezie meer sprake van eigenwaarde en narcistisch zelfliefde dan van liefde.’ En Montaigne (1533 – 1592) zei het nog duidelijker: ‘Jaloezie is van alle psychische ziekte waarbij de meeste zaken dienen als voeding en minder die tot genezing leiden, waarbij alles wordt aangereikt wat bijdraagt aan de stoornis en niets aan de genezing ervan.’

Hoe om te gaan met een jaloerse partner?

  1. De jaloerse persoon ziet zichzelf als slachtoffer en maakt de ander tot agressor.
  2. Deze verdeling van rollen moet men proberen te vermijden en elkaar proberen te helpen om deze denkbeeldige rivaliteit te stoppen.
  3. Meegaan in het spel van de jaloerse partner is geen optie. Zich niet constant alle vragen laten welgevallen onder het voorwendsel dat je niets te verbergen hebt, levert geen resultaat op.
  4. Ook is het verspilde energie om een beroep te doen op het gezonde verstand.
  5. Mogelijk werkt het beter om zich te focussen op een project wat beiden samen iets in het vooruitzicht stelt.

7 tips hoe te leven met een jaloerse partner

  1.  Let op de symptomen – iemand die jaloers is staat vanbinnen in brand. Zijn obsessies beletten hem een normaal leven te leiden. De slaap wordt verstoord, of zijn werk loopt in de soep.
  2. Het object van zijn obsessies: de anderen
  3. De jaloerse persoon zoekt constant rivalen die zijn liefde komen binnendringen. Hij wil alles verstoren, de banden met collegae, met vrienden. Maar men mag nooit de banden met zijn omgeving daardoor verbreken.
  4. De angst neutraliseren. De jaloerse persoon wordt bevangen door de angst om te worden verlaten en zoekt constant naar bevestiging dat het niet zal gebeuren. Dus benadruk daarom alles wat je samen hebt en samen voor staat om deze angst te bezweren.
  5. Je moet duidelijk grenzen stellen, dwz. zich niet gaan onderwerpen aan politieonderzoek, en ook niet accepteren dat hij je spullen doorzoekt, ook al heb je niks te verbergen.
  6. Weiger de rol van beul. De jaloerse persoon ziet zichzelf als slachtoffer en ziet de geliefde als een eeuwige verdachte die ontrouw is. Laat je niet in deze rol dringen.
  7. Wapen je tegen alle opdringende sms-jes, enz., vooral als ze bedoeld zijn om erachter te komen wat je aan het doen bent en met wie. Eraan toegeven betekent dat je meegaat in een fusionele relatie of te wel symbiotische verstrengeling waar beiden geen eigen identiteit of persoonlijkheid meer kunnen hebben.
  8. Onnodig het gezonde verstand te gebruiken als er crisis is. Daarentegen, als de crisis voorbij is moet er sterk worden aangedrongen dat de jaloerse persoon mogelijk een afspraak met een therapeut moet gaan maken.

hypochondrie-Help dokter, ik ga toch niet dood?

Ze is jong, mooi en zeer succesvol in haar carrière. Kortom, ze heeft alles wat een mens zich in dit leven maar kan wensen. Een lieve man, 2 schatten van kinderen en een schare – mannelijke & vrouwelijke – bewonderaars die haar idealiseren om haar durf en haar intelligentie.

Helaas, de blauwe hemel van dit zondagskind wordt van tijd tot tijd ernstig verstoord door grauwe, grijze donkerwolken. ‘Dan voel ik pijn in mijn hartstreek, of in mijn onderbuik. En dan begint het te gieren in mijn bovenkamer,’ aldus Sandrine in het intakegesprek wat ik met haar had. ‘Ik kan dan niet meer slapen, lig maar te tobben in mijn bed en sta duizenden angsten uit.’

Sandrine houdt het niet meer en belt dan maar – voor de zoveelste keer – haar huisarts. En deze – die Sandrine inmiddels heel goed kent – doet wederom zijn uiterste best om haar te kalmeren. Zonder resultaat, overigens, zoals altijd. Sandrine gelooft haar huisarts niet, want… ‘stel dat, hij iets over het hoofd ziet, of dat hij haar klacht wellicht bagatelliseert….’ Sandrine piekert onverdroten voort tot het moment dat haar pijn in haar borst of onderbuik vanzelf enigszins afneemt. Oeuf, oeuf…

Hypochondrie is een psychische aandoening. Een andere term voor de aandoening is ziektevrees. Wie aan hypochondrie lijdt, is chronisch op een overdreven manier bezig met de klacht of is overmatig angstig om een ernstige lichamelijke ziekte te hebben, terwijl hiervan uit onderzoek niets blijkt. De persoon kan vaak de locatie, ernst en duur van de symptomen gedetailleerd aangeven, maar deze zijn door een arts niet als een duidelijk lichamelijk ziektebeeld te herkennen. Als de patiënt daadwerkelijk een (lichte) ziekte heeft, interpreteert hij/zij het ziektebeeld als veel ernstiger dan het in werkelijkheid is. Als een arts de patiënt heeft onderzocht en de patiënt geruststelt, vreest de patiënt dat de arts de ware oorzaak niet heeft kunnen vinden. Omdat de patiënt er sterk van overtuigd is dat er iets mis is, zijn behandeling en herstel vaak gecompliceerd. Bij hypochondrie hoort het somatiseren, dwz. het  verlichamelijken van emotionele klachten.

 

Volgens tegenstanders bedekt deze term de leemtes van de gezondheidszorg. De geschiedenis heeft aangetoond dat vele groepen patiënten, voorheen gediagnosticeerd als hypochonder, daadwerkelijk lichamelijke afwijkingen hadden. Dit is zo gebeurd met colitis, de ziekte van Crohn, HIV, epilepsie, maagzweren. Naast dat de term gebruikt wordt om de onkunde van de medische wetenschap te verbergen, toont het ook het gebrek aan inlevingsvermogen bij de artsen die zich onvoldoende een voorstelling kunnen maken van de verregaande consequenties op de kwaliteit van leven van sommige aandoeningen.

Edoch, de geschiedenis staat bol van beroemde mensen die hun leven hebben vergald door deze aandoening.

tweelingensyndroom

Le Mans Frankrijk: 2 februari 1933. Léa (1911-2001) en Christine Papin (1905-1937), beter bekend onder de naam van LES SOEURS PAPIN  doden op uiterst wrede manier de mevrouw bij wie ze als werksters in dienst zijn en haar dochter. Als de politie op de plek van het drama aankomt bevinden de twee zusters zich ineen gestrengeld aan elkaar op bed, netjes gewassen en na al hun moordwapens keurig netjes van al het bloed te hebben gezuiverd. Ze bekennen meteen de slachting die ze hebben aangericht. De affaire zal Frankrijk in die dagen en volgende jaren in haar ban houden.  Want is hier sprake van een ‘folie à deux’, dwz. een psychose waarin beide zussen zijn verstrikt geraakt of is dit gewoon een daad tegen de erbarmelijke omstandigheden door hun werkgeefster aan beide zussen opgelegd?

Een exclusieve affectieve symbiose had hen tot dan toe zodanig verbonden met elkaar dat ze elkaar hadden gezworen dat geen enkele persoon, laat staan een man, ze van elkaar zou kunnen scheiden. Edoch, in de gevangenis worden beide zussen die als een onafscheidelijke tweeling tot dan toe hadden geleefd, uit elkaar gehaald. Christine – de oudste van beiden – stort in. Ze lijdt aan hallucinaties, geheugenverlies, vertelt onbegrijpelijke verhalen en kwijnt weg in een religieuze waanzin. Ze sombert weg in een diepe depressieve toestand en weigert systematisch elk voedsel. Ze overlijdt enkele jaren later op de leeftijd van 32 jaar. Léa, de jongste, echter knapt geleidelijk op. Als ze de gevangenis verlaat na het uitzitten van haar straf – 10 jaar dwangarbeid – keert ze terug naar haar eigen moeder, en is ze in staat een eigen leven op te bouwen. Ze werkt als schoonmaakster in diverse hotels, en wordt aangenomen als ze niet meer in staat is tot werken als oppas-oma in een gezin met kleine kinderen. Ze sterft op 89 jarige leeftijd.

We hebben hier te maken met het ‘tweelingensyndroom’, dwz. betr. is hoewel geen deel van een tweeling maar gedraagt zich alsof ze er wel deel van is.

 

Zo was Ankie niet zomaar een vriendinnetje van Amy, maar viel betr. helemaal met haar samen in een hechte, symbiotische relatie. Ze waren als het ware helemaal met elkaar vergroeid en gingen in elkaar op. Amy ging daarbij zo ver dat ze zich ook de moeder van Ankie toeëigende, en deze als haar (2de) moeder ging beschouwen. Toen Amy en Ankie verkering kregen, groeiden ze als zusters/vriendinnen uit elkaar. En Amy ging die leegte opvullen met haar vriend. Met hem viel ze weer helemaal samen. Ze kon niet zonder hem en liet zich hiervoor alles welgevallen, zelfs een tegen haar zin uitgevoerde abortus. Toen deze relatie echt niet langer meer kon omdat hun levensdoelen veel te ver uit elkaar lagen – hij wilde feesten zij wilde zich settelen -, moest ze wel de relatie verbreken, maar daarna braken drie zware jaren aan. Ze was – voor het eerst in haar leven echt alleen, want Ankie – haar oude zielsverwant – had intussen ook haar eigen leven opgebouwd en kon heel goed zonder Amy. Maar Amy niet zonder Ankie. Echter de kaarten lagen nu geheel anders. Ankie had een vriend en ze werd ziek, doodsziek, ze werd stervende. Amy merkte dat ze achteraan in de rij moest sluiten, andere vriendinnen kregen bij Ankie voorrang. Amy kon deze ‘narcistische krenking’ niet verwerken, en probeerde de vriendschap met Ankie te verbreken. Net voor ze stierf, maakte Amy het – voor haar eigen gemoedsrust – nog goed. Maar toen was het kwaad al geschied. De moeder van Ankie – haar zogenaamde 2de moeder – was ook niet langer meer die ideale moeder en verbrak het contact. En nu heeft Amy een nieuwe ‘invulling’ voor haar ‘wederhelft’ gevonden, haar nieuwe vriend, die hoewel niet helemaal passend in dit profiel want is hij druk in de weer met zijn eigen bedrijf en woont ver weg, maar Amy maalt er niet om. Ze heeft zich genesteld in zijn huis en in zijn leven, en het voelt als een warm bad, beaamt ze. ‘Ik ben niet meer somber hoewel hij vele geldproblemen heeft en we geen leuke dingen kunnen doen. Maar dat geef niks want we zijn samen als een eeneiige tweeling. Hoera….,’ aldus Amy.