Tonja Kivits

LEDIGGANG IS DES DUIVELS OORKUSSEN

‘Elke ochtend als ik opsta, slaat de angst mij om het hart. Wat moet ik met deze dag, wat ga ik doen, hoeveel uur moet ik nog voordat ik weer naar mijn bed terug kan. Nee, ik ben niet neerslachtig, niet depressief, niet wanhopig. ik constateer alleen de essentie van het leven, en dat is VERVELING, de LETHARGIE VAN HET LEVEN. Ik kom van niets en ga naar niets. LEEGTE. Het niet te stillen verlangen om de tijd te doden.’ Of zoals het spreekwoord ‘lediggang is des duivels oorkussen’, zo treffend uitdrukt.

‘De verveling heeft met het amoureuze verlangen gemeen dat ze aan elke definitie ontsnapt,’ schreef Denis Diderot (1713-1784) in zijn Encyclopédie. ‘Het is geen verdriet, geen somberheid; het is het ontbreken van plezier, veroorzaakt door we weten niet wat, iets in onszelf of iets van buiten, die in plaats van onze ziel te vervullen, een ongemak of een walging veroorzaakt waar we niet aan kunnen wennen.’

De verveling is een ziekte van tijd – ze duidt een onvermogen aan om zich als er geen passende gebeurtenissen of activiteiten zijn, het verstrijken van de tijd zelf alle aandacht opeist. De tijd, jezelf in de tijd plaatsen, wordt het enige dat overblijft. De persoon die zich verveelt, verveelt zich omdat hij/zij niet het verloop van tijd begrijpt noch kan begrijpen. Het ‘nihil novi’, het eeuwige herhalen van dingen, gebaren, gevolgen die ons zo vervelen is alles wat ons rest.

Inertie is zonder project, zonder activiteit, zonder doel, zonder verdieping…. ‘Het verlammende rendez-vous met het pure verstrijken van de tijd noemen we verveling,’ schrijft historicus Philipp Blom (1970-) in zijn essay ‘De Tijd‘. Maar helaas, want in de verveling wil de tijd juist niet verstrijken, de tijd stokt, blijft stilstaan en sleurt zich ondraaglijk voort.

De strijd tegen de verveling is het grote, nee het grootste, gevecht van de mens. Elke activiteit, wat het ook is, is beter dan niets, dan rust, want rust is niets anders dan verveling. Niets is erger dan dat, geen passies, geen activiteiten, geen afleiding. Het enige dat voelbaar is, is het NIETS, de onmacht, de LEEGTE.

De Franse filosoof Blaise Pascal (1623-1662) bracht deze ‘zwartgalligheid’ als geen ander onder woorden in zijn ‘Pensées‘. ‘Verveling,’ schrijft hij, ‘is het lot dat ieder mens wacht.’ Verveling is voor hem een bedreiging dat het diepste van de mens raakt. Je wacht op iets zonder te weten waarop je wacht. Het ene moment volgt op het andere, zonder ergens naar toe te gaan, de monotone terugkeer van hetzelfde, een ledig wachten, een wachten op niets.

Of zoals de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) zei: ‘Verveling is de grondervaring van het lege verstrijken van de tijd.’

Er is één man die als geen ander weet wat verveling is. OBLOMOV (Iwan A. Gontsjarow 1812-1891). Hij is de uitdrukking geworden van het onvermogen om tot iets te komen, lusteloos de dagen door te brengen en totale nutteloosheid te ondergaan. Hij ligt in zijn bed, smeedt grootse plannen en droomt van heroïsche daden. Maar hij komt tot niets en laat het leven uit zijn handen glippen. Zelfs de vrouw die hem haar liefde wil schenken, laat hij aan zich voorbij gaan.

Maar de verveling stamt al uit de tijd ver voor Oblomov. ‘De goden verveelden zich,’ zei de Deense filosoof Soren Kierkegaard (1813-1855), ‘daarom schiepen ze de mensen.’ Adam verveelde zich omdat hij alleen was, daarom werd Eva geschapen. Maar vervolgens verveelden Adam en Eva zich samen, daarna verveelden Adam en Eva, Kain en Abel zich samen als familie, enzovoort, enzovoort, er kwamen meer en meer mensen en men verveelde zich en masse. En de mensheid werd er niet gelukkig van en men verviel van kwaad tot erger.

Is er een uitweg om uit deze sombere tunnel van de verveling te komen? Want als verveling de wortel is van alle kwaad, wat moet men dan doen om deze vicieuze cirkel te verbreken? Verstrooiing zoeken, zo dacht men. En men kwam op het idee een toren te bouwen, zo hoog dat hij tot de hemel zou reiken… Helaas pakte dat niet goed uit. De hoge toren stortte samen met de beklimmers in en stortten in de afgrond. In welke afgrond, zo vraagt u zich af? In de lege tijd, de eigenlijke zondeval.  

Maar het heeft ons niet belet om te blijven zoeken naar oplossingen om uit de impasse van de verveling te komen. Laten we eens kijken naar de slimme oplossing van b.v. de Franse toneelschrijver Molière (1622-1673). Hij wist en weet ons met zijn hilarische en satirische toneelstukken te vermaken en ons af te leiden van onze diepgewortelde verveling.

Of ‘A doll’s house‘ van de Noorse toneelschrijver Hendrik Ibsen (1828-1906). Nora Helmer is getrouwd met Torvald, die haar helemaal naar zijn hand wil zetten en haar als een kind – een pop – behandelt. Nora verveelt zich mateloos in de eentonigheid van het echtelijk bestaan. Maar uiteindelijk herpakt ze zichzelf en met een harde klap slaat ze de deur van het echtelijk huis dicht – en daarmee ook het einde van het toneelstuk. Het stuk werd een doorslaand succes.

Maar helaas, verstrooiing blijkt slechts een tijdelijke ontsnapping. Hoeveel tv.-series – waarbij de misdaad opmerkelijk de voorkeur geniet – we ook consumeren, het zal het wezenlijke van de verveling geenszins teniet kunnen doen.

Hoe kunnen we de verveling en het zich eenzaam voelen doorbreken? Kortom hoe komen we uit deze doodlopende tunnel?

Er is in feite maar één oplossing, en dat is creativiteit, je nuttig en zinvol kunnen en weten te vermaken. Schrijven, muziek maken, tekenen, breien, en ga zo maar door. Het enige dat telt is dat je jezelf erin kunt verliezen. De creatieve mens is voortdurend bezig zichzelf te ontdekken, de eigen identiteit opnieuw vorm te geven. Het allerbelangrijkste is immers het verwerven van nieuwe inzichten. En dat gebeurt uitsluitend wanneer de creatieve mens ALLEEN is. Of zoals de Franse filosoof De Montaigne (1533-1592) zo kernachtig zei: ‘We moeten een klein achterkamertje, dat helemaal van onszelf is, volledig vrij houden, een kamertje waarin we werkelijk vrij, veilig en alleen kunnen zijn.’

eenzaam maar niet alleen, alleen maar niet eenzaam

“Eenzaam maar niet alleen,” was de titel van het boek, verschenen in 1959, van koningin Wilhelmina (1880-1962), waarin ze vertelt van haar leven als koningin des vaderlands. Inderdaad nooit alleen, altijd omringd door lakeien en bedienden, een vorstelijk leven, zou je denken.

Maar kunnen we dit ook anders verwoorden als ‘alleen maar niet eenzaam’. Is de mens een sociaal dier bij wie intieme relaties de voornaamste, zo niet de enige bron van menselijk geluk vormen? Of is de mens een Einzelgänger die pas in volledige afzondering en eenzaamheid zijn creatieve geest ten volle kan benutten en zichzelf tot wasdom kan ontplooien?

Beethoven, Chopin, Kafka, Kierkegaard, Kant, en ga zo maar door, waren allen ongetrouwd of hadden af en toe vluchtige relaties. En was Gustav Mahler (1860-1911) weliswaar getrouwd met Alma, maar hij bracht de meeste tijd door in zijn eigen afgelegen huis waar hij in totale afzondering zijn composities schreef.

Dat wil niet zeggen dat deze componisten, filosofen of schrijvers vreemde of kopschuwe mensen waren, of afweken van de gewone, alledaagse normen. Pas nadat de opvatting postvatte dat een relatie of opgenomen te zijn in een entourage de sine qua non was voor gelukkig zijn, werd de alleenstaande meewarig en zelf meelijwekkend benaderd.

Maar als we dit eens nader gaan bekijken, dan constateren we dat alleen-zijn ook veel positieve waarde heeft. Door het alleen-zijn kunnen we in contact komen met onze diepste gevoelens. We doen nieuwe ideeën op, we denken na over onszelf en kunnen alle tijd nemen om onszelf te ontplooien.

De mens wordt in feite beheerst door twee drijfveren die elkaar dwarsbomen: aan de ene kant heeft men behoefte aan gezelschap of een relatie met een ander; aan de andere kant wil men onafhankelijk en autonoom zijn. En het is juist deze tweeledigheid die, als die in goede samenhang kunnen plaatsvinden, ons gelukkig maakt. Want juist de ander als spiegel, als tegenhanger, als klankbord die ons tegenwicht biedt, is van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van onszelf.

Zoals keer op keer is bewezen, zullen mensen die hun geliefde partner verliezen, hun eenzaamheid als grote bron van hun lijden zien. Geen enkele mate van vriendschap – hoe goed bedoeld ook – zal het verlies van de intieme band en van de emotionele intimiteit die ze hadden met hun partner kunnen vervangen.

Want het maatjes-gevoel is meer dan gewoon maar een praatje maken. Het is (h)erkend, bevestigd te worden en een extra dimensie aan je bestaan te ontvangen. Het verlies van een innig geliefde kan NOOIT volledig met anderen worden gedeeld. Het rouwen is nauw verweven met de intimiteiten met de overledene en voltrekt dan ook vooral met name in de eenzame afzondering van de eigen gedachtenwereld.

Vandaar dat alleen zijn met weliswaar een heel veel connecties om je heen, de mens niet echt gelukkig kan maken, wat koningin Wilhelmina zo treffend zei: ‘Niet alleen maar wel eenzaam.’ Een echte soulmate – zoals dat in goed Nederlands heet – is van meer belang om jezelf te leren kennen en te ontdekken, te ontplooien en te ontwikkelen. of zoals de Franse dichter Arthur Rimbeau (1854-1891) zo treffend zei: “j’est un autre”.

Of zoals het geval is met ouderen die alleen wonen en die worden neergezet als eenzaam en ongelukkig. Maar ook hier geldt de norm dat als die alleenstaande ouder in staat is de ander toe te laten, dan is die ouder wel alleen maar niet eenzaam. In bejaardenhuizen en zorginstellingen is je terugtrekken op je eigen kamer daarom ongewenst en wordt men ‘verplicht’ deel te nemen aan allerlei activiteiten.

vaderlandsliefde

Met wat er nu in wereld aan de hand is – mensen die de kop worden afgehakt omdat ze leerlingen de wijsheid van een vrijdenkende geest willen bijbrengen, een president die compleet labiel en geschift is in de VS. en toegejuicht wordt door hordes aanhangers -, kwam me de uitspraak van de Franse dichter en staatsman Alphonse de Lamartine (1790-1869) me helder voor de geest:

Er zijn 2 soorten vaderlandsliefde. Een die bestaat uit alle haat, alle vooroordelen, alle vage antipathieën die de volken, afgestompt door regeringen die er belang bij hebben tweedracht te zaaien, tegen elkaar koesteren…

En een andere, die juist bestaat uit alle waarheden en alle rechten die de volken gemeenschappelijk hebben.’

J’EXCISTE – IK BESTA

Ik reed afgelopen zondag van het Franse Bourgogne terug naar huis in Amsterdam. Het was bar en boos weer, dus moest ik alle concentratiezeilen bijzetten. Verstand op nul en rijden maar…

En dan ineens wordt mijn aandacht getrokken door een uitspraak in enorme grote letters die is aangebracht aan de brug bij Metz. J’EXCISTE

Hè hè, ineens ben ik weer helemaal klaarwakker. Wat staat er nou, hoor ik mezelf hardop mompelen – j’exciste = ik besta…. wat is dat nou voor een uitspraak. Zeker weten dat ik besta. Maar wat betekent het nou in feite dat ik besta. wat is dat ik, en wat is dat besta?

Terug in Amsterdam. en dat is toch wel wennen. Overal mensen, overal fietsers, auto’s, overal lawaai…. Heel wat anders dan het lieve rustige platteland van de Bourgogne met de grazende koeien en het weidse boerenland alom.

‘Oh pardon,’ zeg ik me verontschuldigend als ik per ongeluk tegen een mevrouw aanloop die – eerlijkheidshalve het vermelden waard – midden op de stoep liep met haar man. De vrouw kijkt me niet aan en zegt niets. Ze ziet me waarschijnlijk niet eens. Voor haar besta ik niet, want zij waant zich het centrum van haar bestaan – letterlijk zelfs want blijft gewoon midden op de stoep doorlopen.

Ach, mompel ik zachtjes in mezelf, het is Amsterdam, een grote stad, laat maar. Maar dan even later wil ik de straat oversteken, er komen fietsers aan. Geen één die stopt om een voetganger te laten oversteken. Ze racen in no time door, zonder om te kijken, noch waar te nemen wat er om hen heen gebeurt. Ik besta immers, en ik ben de enige in mijn universum….

de dodelijke verstrengeling tussen psychiater en patiënt

In 1946 wordt aan de Amerikaanse psychiater Douglas Kelley (1912 – 1958) gevraagd zorg te dragen voor de geestelijke gesteldheid van 22 prominenten van het naziregime die in de gevangenis van Neurenberg gevangen zitten na hun ter dood veroordeling. Onder hen bevindt zich Hermann Göring, (1893 – 1946), opperbevelhebber van de Luftwaffe en aangewezen opvolger van Adolf Hitler.

Kelley is enthousiast want wil ontdekken of deze nazimisdadigers geestelijk gestoord zijn of gewoon mensen zijn zoals u en ik. Vijf maanden lang zal hij zeer intensief deze gevangenen onderzoeken, waarbij hij zijn stokpaardje – de Rorschachtest – inzet om het bewijs van zijn these te kunnen onderbouwen. Tot grote verwondering van Kelly komt uit deze test naar voren dat Göring een introverte en niet, zoals men zou verwachten, een extraverte persoonlijkheid zou zijn. Göring zou bovendien, volgens Kelley, egocentrisch en narcistisch zijn. Maar verder benadrukt hij dat er met Göring qua persoonlijkheidsstoornis niets aan de hand is.

Hoewel als de nazi-gevangenen op een dag een film moeten bijwonen die is gemaakt door Britse en Amerikaanse soldaten waarop te zien is hoe het eraan toe gaat in de concentratiekampen, ziet Kelly met eigen ogen hoe Göring en zijn medegevangenen totaal onverschillig reageren bij het zien van de afschuwelijke beelden. Maar hij negeert dit signaal.

Tussen de jonge psychiater Kelly en de rijksmaarschalk Göring ontstaat een warme band, en ze steken elkaars waardering niet onder stoelen of banken. Kelly is vol bewondering voor Göring en waardeert zijn intelligentie; Göring vindt deze jonge ambitieuze Kelly een uitdaging.

Maar dan gebeurt er iets wat Kelly niet had voorzien…. of toch….? Een paar uur voor zijn doodvonnis – door ophanging – zou worden uitgevoerd pleegt Göring zelfmoord. Ondanks dat de gevangenen extreem beveiligd worden, want elke deur van de gevangene wordt dag en nacht bewaakt, lukt het Göring toch om een einde aan zijn leven te maken want wil – ‘waardig’ – sterven, en beschouwde ophanging voor gewone misdadigers. Hij gebruikt daartoe het dodelijk middel cyanide.

Kelley bevindt zich dan in Amerika, en geniet volop van zijn succes. Hij is een t.v.-persoonlijkheid en wordt gevraagd voor conferenties, en interviews voor kranten en tijdschriften. Maar… de buitenkant liegt – net als bij zijn grote voorbeeld Göring. Want Kelley wordt steeds meer meglomaan en terroriseert zijn vrouw en zijn 3 kinderen, met name zijn zoon die net als hij ook Douglas heet.

Het is zondagmiddag nieuwjaarsdag 1958 als Kelley en zijn vrouw tijdens het voorbereiden van de maaltijd in een woordenwisseling geraken – zoals dat schering en inslag is in het gezin Kelly. Kelley stormt woedend naar boven terwijl hij zijn vrouw en zijn kinderen toeschreeuwt – ‘ik ga nu deze capsule cyanide innemen en zal binnen 30 seconden dood zijn.’

Zo gezegd zo gedaan. Psychiater Douglas Kelly – 45 jaar oud – maakt een einde aan zijn leven met hetzelfde gifmiddel – cyanide – 10 jaar na de suïcide van Hermann Göring. Waarom heeft de therapeut Kelly hetzelfde vergif genomen – dat overigens niet gebruikelijk is als men zelfmoord pleegt – als zijn patiënt Rijksmaarschalk Göring, is de vraag die zich onherroepelijk opdringt? Want als psychiater had hij zonder grote problemen gewoon een ander middel kunnen nemen, en hij beschikte zelfs ook – zoals in Amerika gebruikelijk is – over een en zelfs meerdere pistolen in zijn huis. Of is hier sprake van een dermate identificatie met Göring dat Kelley zelf Göring is geworden? Een these die zijn zoon Douglas later zou onderschrijven.

de vrouw – de schaamte voorbij

Het gaat goed met onze economie, horen we deskundigen in koor uitroepen. De Nederlander is tevreden en optimistisch. Maar wie verder kijkt, weet wel beter. Want in een en dezelfde adem wordt ons ook – zij het minder trots – meegedeeld dat vrouwen nog steeds minder verdienen dan mannen en nog steeds niet weten door te dringen tot goede banen en interessante posities. De roep om een vrouwen gelijkwaardigheidsquota is nog steeds broodnodig.

Want de gunstige economie of het tikken van de biologische klok ten spijt, het moederschap en de huwelijkse staat scoren nog hoog bij vrouwen. Het is het enige waarmee ze zich kunnen identificeren. Want het ontbreekt de vrouw nu eenmaal aan een archetype in het collectieve onbewuste. De zoon heeft Jezus, maar de dochter moet het doen met Maria, een vrouw weliswaar maar wel een heel bijzondere, een moeder namelijk die zonder geslachtsgemeenschap een kind heeft gebaard. Het enige archetype dat een vrouw eventueel tot haar beschikking heeft is Eva, maar die werd wegens haar assertiviteit en seksuele nieuwsgierigheid uit het paradijs verdreven.

De optocht van vrouwen om een gelijkwaardige positie te verwerven verloopt moeizaam, en dat kunnen vrouwen zichzelf ook verwijten. Of liever gezegd, het zijn de moeders die hun dochters blijven opzadelen met gevoelens van onzekerheid en minderwaardigheid. Nu is dit ‘het-is-de-schuld-van-mijn-moeder’-idee uiteraard niet nieuw. Moeders staan tenslotte aan de wieg van elk nieuw leven, van zoontjes en van dochtertjes. Dus dat mannen opgroeien tot onderdrukkende macho’s en meisjes tot onzekere, instabiele naar goedkeuring hunkerende vrouwen is gemakkelijk terug te voeren tot de relatie met de moeder. Moeders, kortom vrouwen, zouden derhalve de sleutel tot verandering in handen hebben.

Vele theorieën zijn op dit raadsel al losgelaten. In de jaren zeventig verrichtte de Amerikaanse sociologe en psychoanalytica Nancy Chodorow baanbrekend werk met haar klassieker ‘Waarom vrouwen moederen‘. Haar conclusie luidde dat moeders hun zonen anders, in veel opzichten gunstiger en positiever benaderen dan hun dochters. Haar pleidooi voor gedeeld ouderschap, zodat dochters door hun vaders van deze positieve discriminatie konden profiteren, bleef jarenlang een veelgehoorde wens, maar bleek in de praktijk toch moeilijker te realiseren dan op papier.

Veranderingen komen moeizaam op gang, zijn zeer moeilijk te realiseren, zoals de voorbije feministische golf pijnlijk heeft blootgelegd. Maar sinds korte tijd gloort de zon aan de horizon. De ‘Me-too’-beweging heeft een revolutie in gang gezet, en de vrouwen zijn hun schaamte en nederigheid in rap tempo voorbij aan het snellen. Zo las ik vanmorgen weer in de krant dat ongehuwde zwangere vrouwen in de jaren 50 en 60 hun kind moesten afstaan zonder dat er met hen overleg kon worden gepleegd. Het gebeurde gewoon. en nu – let wel – bijna 70 jaar na dato, gaan deze vrouwen aan de bel trekken. Eindelijk…. de schaamte voorbij.

FEMME FATALE: VON KOPF BIS FUSS AUF LIEBE EINGESTELLT

Toen Eva, aangezet door de slang, van de verboden boom een vrucht nam en die aan Adam gaf, waardoor ze hen beiden in het verderf stortte, werd ze daarmee de eerste femme fatale van de mensheid. Verlokkelijk aan de buitenkant, maar o zo kwaadaardig en onberekenbaar aan de binnenkant, zo luidde het oordeel dat sindsdien over haar zuster-volgelingen zou worden uitgesproken.

Marlène Dietrich (1901 – 1992) vertolkte als de revuezangeres Lola met verve en allure de femme fatale in de film van Josef von Sternberg Der Blaue Engel (1930) met haar lied Ich bin von kopf bis fuss auf liebe eingestellt. Iedereen lag aan haar voeten en professor Unrath volgde haar als een slaaf, compleet in de ban van haar schoonheid. Hij werd een schaduw van haar schaduw en ging uiteindelijk ten onder.

Hoe kon die armzalige, bescheiden Unrath haar ook weerstaan? Met haar halfgeloken ogen, haar zwaar aangezette, lange wimpers, haar hese trage stem, haar uitzonderlijk prachtige lange slanke benen, belichaamde Marlène Dietrich niet zomaar een vrouwelijk type dat weet te verleiden, een speelpop van de man, een seksueel object, maar was ze de belichaming van La Femme, De Vrouw, als mythe.

Greta Garbo (1905-1990) speelde in Mata Hari (1931) de sterren van de hemel en haar naam als femme fatale kon haar – ondanks dat ze zelf deze titel verafschuwde – niet meer worden ontnomen. Garbo bracht, net als Dietrich, met haar marmeren gelaat, haar zwoele, hese, slepende stem, haar mysterieuze, arrogante blik, de mythe van de femme fatale tot leven. Een mythe die voor Dietrich en Garbo, maar ook voor de moderne femmes fatales een zodanig ritueel en realiteit is geworden waaraan ze niet kunnen ontsnappen, waaraan ze totaal zijn onderworpen. Een andere – normale vrouwelijke – identiteit is voor hen onmogelijk en buiten hun bereik.

Maar wie gaat er schuil achter het masker van de femme fatale, die als een soort vleesetende plant wordt voorgesteld die haar prooi aantrekt om de man daarna te verzwelgen? Was will das Weib? riep vrouwenkenner bij uitstek Sigmund Freud (1858-1939), de vader van de psychoanalyse, vertwijfeld uit, zonder ooit een bevredigend antwoord op zijn eigen vraag te vinden. Is niet elke vrouw, zo wordt steevast beweerd, per definitie fataal en boezemt ze niet altijd angst en ontzag in? De vrouw is immers, doordat ze kinderen kan baren, meesteres over het leven. Zij is er de stille getuige van dat de man niet alles in zijn macht heeft, ook al probeert hij haar, zoals de geschiedenis wreed vertelt, te temmen, haar als heks te laten verbranden, te verkrachten, of aan het gezichtsveld compleet te onttrekken door haar te verplichten haar lichaam en zelfs haar gelaat achter sluiers te verbergen.

“Ik herinner me,” zo vertelde me een femme fatale die volgens eigen zeggen een notoire mannenverslindster is, “hoe ik als klein kind tegen mijn twee jaar oudere broer opkeek. Ik probeerde hem in alles te overtreffen. Beter te zijn op school, met sporten, in het spelen van muziek. En, ik moet zeggen, het is me uiteindelijk gelukt.” Maar echt gelukkig prijst ze zich niet met haar overwinning. “Hoewel ik alle ingrediënten bezat die nodig waren om gelukkig te worden,”verzuchtte Greta Garbo meer dan eens, “voelde ik onvrede met mezelf en was ik vaak depressief.”

De femme fatale beseft dat ze, in tegenstelling tot haar mannelijke rivalen, die macht slechts ‘te leen’ heeft. Van Dietrich wordt gezegd dat ze zich ‘emotioneel een man voelde’, en zelf opperde ze dat ze ‘biseksueel’ was. Ook Garbo was niet duidelijk over haar voorkeur voor mannen of vrouwen. Dat ze eventueel ook lesbisch was heeft ze evenwel bevestigd noch ontkend.

De femme fatale is er niet op uit de man te beminnen. Rücksichtlos ontdoet ze zich van hem. Hij is immers haar eeuwige rivaal in de strijd om de macht, die hij wel bezit en waarvan zij is verstoken. Maar dit spel van beul en slachtoffer kent geen overwinnaar. Greta Garbo trok zich terug in totale afzondering en eenzaamheid. En nooit verliet Marlène Dietrich haar Parijse appartement.

Ich bin von kopf bis fuss auf Liebe eingstellt, zong Dietrich zwoel. Zelf mocht ze de ‘ware liefde’ niet smaken. Geen enkele man kon haar geven wat ze werkelijk zocht. Ook Greta Garbo bleef verstoken van de ideale man. De femme fatale is fataal voor de ander en voor zichzelf. Gevangen in de strikken van de mythe waarin ze gevangen zit, is ze gedoemd het spel te spelen tot het bittere einde. Ontsnappen is niet mogelijk tot de dood haar kan bevrijden.

MIJN NAAM: WAAKHOND TEGEN DE GEKTE

Het complete oeuvre van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) beslaat niet meer dan 5 boeken. Het aantal commentaren, studies, analyses en kritieken daarop omvat inmiddels het honderdvoudige. Joyce is een groot schrijver; men schaart hem zelfs onder de allergrootsten. De problemen beginnen pas als men Joyce probeert te doorgronden. Jaar in jaar uit sloven geleerden zich uit om het fenomeen Joyce te ontrafelen. Joyce zelf kan tevreden zijn. Zijn wens onsterfelijk te zijn – ‘Ik heb zoveel raadsels en puzzels in mijn werk gestopt dat ik de professoren nog eeuwen bezig zal houden’– gaat zonder meer in vervulling.

Taal bepaalt het leven en denken van de mens, zo leert ons de psychoanalyse. Sigmund Freud (1856-1939) sprak in zijn Traumdeutung (1900) van de droom als rebus. Iets wetenschappelijker gezegd: de ‘symbolische‘ orde domineert de orde van het beeld – de image – en de orde van de psychische realiteit, respectievelijk de ‘imaginaire’ en de ‘reële‘ orde genoemd.

Maar Joyce heeft deze structuralistische benadering die in de jaren vijftig en zestig het Franse psychoanalytische en wetenschappelijk klimaat beheerste gecorrigeerd. Niet meer één orde, die van de taal, overheerst de twee andere – de imaginaire en reële orde – , maar alle drie hebben ze dezelfde waarde. Hoe heeft Joyce dat voor elkaar gekregen? Laten we dat nader gaan bekijken in het oeuvre van Joyce zelf.

Joyce moet net als de hoofdpersoon Stephen Dedalus in Stephen’s Hero onophoudelijk schrijven om niet waanzinnig te worden. Stemmen geven Stephen / Joyce de opdracht om te schrijven. In zijn laatste boek Finnegans Wake bereikt deze waanzin zijn hoogtepunt. De stem die voorheen nog van buitenaf tegen Joyce spreekt, wordt nu zelf ingebracht in het schrijven en maakt daar een wezenlijk onderdeel uit. Finnegans Wake is slechts te ‘begrijpen’ als het hardop wordt gelezen. Hiermee is Joyce niet enkel meer auteur maar ook lezer geworden, en zo bereikt hij een dubbel soort genieten – jouissance -: hij leest zichzelf en hij hoort zichzelf schrijven.

Maar welke stem wil Joyce in feite laten spreken? De cruciale vraag waarmee Stephen Dedalus onophoudelijk wordt geconfronteerd luidt: ‘Wat is je vader? Wat voor soort naam is dat?’ Dedalus is inderdaad een rare, ongewone, bijzondere naam. Hij is niet, zoals een naam hoort te zijn, nl. de naam van de vader. Voor Stephen / Joyce heeft de naam van de vader géén symbolische betekenis gekregen. In Portrait of the Artist as a Young Man laat Joyce vader Simon tegen zijn zoon Stephen zeggen: ‘Ik praat tegen je als een vriend, Stephen. Ik geloof er niet in om de strenge vader te spelen. Ik geloof er niet in dat een zoon bang zou moeten zijn voor zijn vader. Nee, ik behandel je net zoals je grootvader mij behandelde toen ik nog een jonge vent was. We waren meer broers dan vader en zoon.

En zo komen we dus bij de vierde orde, naast die van de symbolische, imaginaire en reële, nl. die van ‘de naam van de vader‘ en die nodig is om de drie andere bij elkaar te houden. In het verhaal van Simon Dedalus ontbreekt deze laatste orde omdat hij geen symbolische inhoud aan zijn vaderschap wil/kan geven, en dit heeft catastrofale gevolgen voor zijn zoon Stephen. Het duizelt hem, hij opent zijn ogen die hij tot dan toe gesloten had gehouden, hij wordt getroffen door de zon die hem verblindt, dan raakt hij de beheersing over zijn stem kwijt, de letters beginnen te trillen en Stephen verliest het bewustzijn. Hij herinnert zich niets meer. Met andere woorden, door deze ‘simpele’ mededeling van vader Simon dat hij géén vader wil zijn, stort de hele – imaginaire en reële – wereld van Stephen in.

Stephen probeert de ‘ramp’ te herstellen door hardop te declameren. ‘Ik ben Stephen Dedalus. Ik loop naast mijn vader wiens naam Simon Dedalus is. We zijn in Cork, in Ierland. Cork is een stad. Onze kamer is in het Victoria Hotel. Victoria en Stephen en Simon. Simon en Stephen en Victoria. Namen.’ De eigennamen vormen een keten, waarbij de naam van de vader – Simon – het punt is waarop hij rechtsomkeert maakt.

Uit dit fragment leren we hoe Joyce eigennamen en ook elders letters en inintialen – S.D. – als een symbolische kapstok gebruikt om de imaginaire beelden en de reële orde bij elkaar te kunnen houden. Door het schrijven van namen probeert Joyce een eigen naam te creëren, die de vader hem eigenlijk had moeten geven, om zo aan de waanzin te ontsnappen. Zo wordt het schrijven voor Joyce het symptoom waardoor hij de drie orders bijeen kan houden en als een ‘normaal’ mens verder kan blijven functioneren. Het laatste woord ‘the‘ van Finnegans Wake laat zich verbinden met het eerste woord waarmee het boek begint – riverrun – en zo is de cirkel weer rond en gesloten.

de penisnijd van de ‘moderne’ man

Eens, heel lang geleden, wilde ik mezelf omscholen. ik zat in het onderwijs en dat beviel me totaal niet. Het bedrijfsleven leek me veel uitdagender en daar lagen, dacht ik, zoveel mogelijkheden om van koers te veranderen en nieuwe wegen in te slaan. Toch heb ik van mijn plan afgezien en ik weet nu dat ik daar goed aan heb gedaan.

Want in het bedrijfsleven, met name onder managers, zzp’ers en mensen die werken in de vrije sector, bestaat een verhoogd risico op afgunst en jaloezie. Bij hen, zo zou uit onderzoek blijken, zijn afgunst en jaloezie bovendien intenser en heftiger dan bij mensen met een relatief eentonig beroep, zoals ambtenaren of stratenmakers.

Er is een tijd geweest dat dit soort emoties van jaloezie en afgunst niet bestond. Zo had Friedrich Engels (1820-1895) al geconstateerd dat onze voorouders pas afgunstig en jaloers zouden zijn geworden nadat ze hun pijlen en bogen hadden neergelegd om de akkers te gaan bewerken. Als jagers leefden ze frank en vrij, maar toen ze zich op één plek nestelden kregen ze grond en bezittingen. Het matriarchaat waarin vrouwen het nog voor het zeggen hadden, veranderde in patriarchaat. Mannen werden heersers, vrouwen en kinderen hun bezit en daarmee werden afgunst en jaloezie een feit, want wat men bezat kon men ook weer verliezen aan vijand of rivaal.

Onze huidige maatschappij is bij uitstek een broedplaats waarin afgunst en jaloezie opperbest gedijen. De competitie- en concurrentiemolen draaien op volle toeren. ‘Kan nu echt van ons verlangd worden dat we vijf of zes dagen per week een concurrentiestrijd leveren met medeburgers en collega’s om geld, macht en succes en dat we dan op de zevende dag het concurrentie- en rivaliteitsdenken naast ons neerleggen om ons aan de liefde en de medemenselijkheid te wijden?’

Hopeloos is het gesteld met mensen die werken zonder plezier en uitsluitend voor het geld. Om maar te zwijgen van hen die arm zijn want die blijven fietsen achter de meute en/of de elite, zoals de gele hesjes overduidelijk proberen aan te tonen.

Afgunstige en jaloerse mensen zijn kortzichtig en onrealistisch. Mannen scoren hoog op de ladder van jaloezie en afgunst als het gaat om hun reputatie, hun aanzien en – uiteraard – om hun mannelijkheid, dwz. om de ‘grote penis’ van hun rivaal, althans om hun idee dat een ‘grote penis’ het meest verleidelijk orgaan is om een vrouw voor zich te winnen. Mannen – goed uitziende, zongebruinde, succesvolle mannen – die schoorvoetend en na veel erom heen draaiend (want daar praat een man toch zeker niet over) huilend vertellen dat hun penis te klein is…. en van dat idee niet af te brengen zijn, zijn talrijk.

En achter het getatoeëerde lichaam van de huidige macho schuilt onoverkomelijk dit drama van de ‘penisnijd‘. En niet voor niets worden in de voetbalwereld waar het stereotiepe mannelijk penis-ideaal nog steeds hoogtijdagen viert homo’s en vrouwvriendelijke, lieve mannen geweerd of met de nek aangekeken. Om maar te zwijgen van vrouwen die zich bewegen op hun terrein en ook voetballen, want zij worden neergezet als gemankeerde vrouwen die zouden lijden aan het ontbreken van de penis. Ja ja, Sigmund Freud (1856-1939) had het destijds al helemaal door toen hij de theorie van de penisnijd lanceerde. Het is en blijft, helaas, een actueel thema.

de kunst van het liegen

‘Hoe kun je weten wanneer een politicus liegt?’ Antwoord: ‘Kijk of hij zijn lippen beweegt…’ Uitgeroepen tot grootste leugenaar van deze eeuw is ongetwijfeld de huidige Amerikaanse president Donald Trump, hoewel zijn Russische evenbeeld Vladimir Poetin voor hem niet echt onderdoet. En zo kunnen we het rijtje aardig aanvullen. Want Rutte en compagnie kunnen ook aardig sjoemelen met de waarheid.

Het opzettelijk de ander om de tuin leiden, het verzwijgen of onwaarheden vertellen is van alle tijden en komt in alle culturen, rangen en standen voor. Sommigen kunnen liegen alsof het gedrukt staat. Goede leugenaars zijn individualistisch, hebben een sterke drang tot competitie en zijn overtuigd van de superioriteit van hun eigen opvattingen. Slechte leugenaars laten zich te veel leiden door bedriegerswroeging of de vrees om betrapt te worden. De gedachte dat anderen hen kunnen doorzien, doet ze al vaak overstag gaan en hun leugen opbiechten.

Maar ook de meer ervaren bedriegers komen er niet altijd zo gemakkelijk van af. Sigmund Freud (1856-1939) beweerde eens dat geen sterveling een geheim weet te bewaren, want men babbelt met de vingers ook al verkeren de lippen in rust. Wat woorden niet hoeven te zeggen, zegt ons lichaam. We gaan zweten, blozen, zenuwachtig met iets friemelen, stotteren of met stemverheffing praten. Volgens Freud zijn we meesters in het sjoemelen met de waarheid. In zijn klassieker ‘Die Traumdeuting’ (1900) liet hij zien hoe informatie in onze psyche wordt getransformeerd en bij iedere halte in het systeem een verandering ondergaat. Zodanig zelfs dat het beeld en het geluid dat we aanvankelijk waarnamen, tegen de tijd dat ze herinneringen zijn geworden, radicaal veranderd zijn. We denken dat we welbewust en weloverwogen onze beslissingen kunnen nemen, maar niets is minder waar. Het onbewuste is ons de baas, en van Freud weten we hoe het onbewuste ons bewustzijn kan manipuleren, als een poppenspeler zijn marionetten. We zijn een meester in het onszelf voor de gek houden, en daardoor zijn we er uiterst bedreven in anderen voor het lapje te houden. Om goed te kunnen liegen moeten we eerst in onze eigen leugens geloven.

Maar zegt onze volkse wijsheid niet: al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Ik spreek de waarheid, zegt de leugenaar. Echter, ontdekken dat iemand liegt of de waarheid spreekt is toch niet zo’n eenvoudige klus. Nogmaals, Donald Trump is er president van de V.S. mee kunnen worden. En dat hij met al zijn leugens ermee weg kan komen, liet de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen (1828-1906) al heel goed zien toen hij zei: ‘Beroof je de gemiddelde mens van zijn levensleugen, dan ontneem je hem ook zijn geluk.’ Liever wenden we ons af en kijken we de andere kant op, totdat we uiteindelijk vergeten, en vergeten dat we vergeten hebben.