Tonja Kivits

tjeetje, ik word gek van m’n eigen jaloezie

Ze leunde ongemakkelijk naar achteren terwijl ze zenuwachtig de ene been over de andere sloeg, dan weer haar linker– dan weer haar rechterbeen, en dat ging minutenlang zo door. Dan ineens ging ze kaars rechtop zitten. ‘Weet je Tonja,’ zei ze met ferme luide stem, ‘ik haat mezelf. Wat een oen ben ik, wat een zielig type.’ Zo ging ze nog even door, totdat ik haar tot de orde riep. ‘Hou nu op jezelf zo de grond in te praten. Je weet toch dat het niet klopt wat je nu allemaal uitbrabbelt.’ Ze werd kalm en lachte: ‘Je hebt gelijk, maar deze gedachten zijn sterker dan ik…’

Aan het woord is een leuke jonge vrouw die samen woont met haar vriend met hun 2 schattige jonge dochtertjes. Betr. meldde zich omdat ze bang is dat haar vriend – een zeer charmante vent op wie elke vrouw – volgens haar – meteen verliefd zou kunnen worden – vreemd gaat. Haar man is muzikant en staat volop in de spotlights.  En hij wordt inderdaad omringd door heel veel jonge en super mooie jonge meiden. Kortom, voer voor al haar jaloezie.  En zo begint haar ellende. Hoewel haar vriend niets kwaads of verkeerds in zinnen heeft,  checkt ze z’n mobiel, z’n mails, speurt ze naar alle mogelijke tekenen dat hij inderdaad een affaire heeft met een andere vrouw.

Jaloezie hoort bij de verliefdheid. Maar pathologische jaloezie is een niet doorsnee liefde want ze is overdreven, wil samenvallen met de ander, is wantrouwend en vereist continu de aanwezigheid van de ander, die ander moet er helemaal voor hem/haar zijn.  De jaloerse persoon  wil helemaal binnendringen in de geheime wereld van de ander, en bestookt deze de hele dag door met vragen, belletjes, sms-jes enz.  Deze jaloezie noopt de persoon om in de zaken van de ander te snuffelen, de telefoon constant te doorzoeken op…., en dan vindt men altijd wel ergens een of andere aanwijzing.

Er zijn 2 vormen van jaloezie:

  1. de angst om kwijt te raken wat je hebt
  2. of dat te willen hebben wat de ander heeft – dus meer bekend onder de term afgunst.

In beide gevallen denkt de persoon dat hijj iets kwijt raakt, zijn identiteit of zijn territorium. En dit kan gepaard gaan met een zeer heftige vorm van gewelddadigheid – ‘Als men mij mijn relatie of mijn geliefde afpakt ben ik bang dat ik minder besta, dat ik tot niets wordt gereduceerd,’ denkt de jaloerse persoon. Begint deze te zoeken naar de aanwezigheid van een ander door steeds maar te vragen wat de ander doet en vooral met wie, dan raakt hij ervan overtuigd dat het object van zijn liefde hem gaat ontsnappen. Dan wordt de jaloezie pathologisch want dan zoekt degene die jaloers is een rivaal, werkelijk of denkbeeldig. Dit kan een ex- zijn of een collega of zelfs een lid van de familie. De pathologische jaloerse mens vergeet de persoon van wie hij houdt en wordt gevangen genomen door degene van wie hij denkt dat zijn plek wordt ingenomen

Jaloers zijn is een angst die te vergelijken is met de angst voor de dood.  Deze val in de leegte, in de afgrond wordt ervaren als het einde van alles waar maar één uitweg rest, zichzelf van het leven beroven want zonder de geliefde is het leven toch niet meer mogelijk.  En de jaloerse persoon zal niet nalaten dat ook luid en duidelijk aan degene die hem zou hebben bedrogen kenbaar te maken.

Zo kent de jaloerse persoon  een dubbele pijn , want bij het verlies van liefde komt nu ook het gevoel belachelijk te zijn. Degene die jaloers is wordt als ziek afgeschilderd, de schuldige die hun relatie op het spel zet, maar de jaloerse persoon zelf wijst deze beschuldiging af en zegt dat hij/zij gewoon een goede intuïtie heeft en voelt dat hij of zij wordt bedrogen. Sommigen kunnen het overspel als een misstap overwinnen, maar anderen bijten zich erin vast.

Jaloezie staat aan het begin van onze beschaving. De duivel is in rivaliteit met God en Kaïn doodt Abel om dezelfde redenen.  Jaloezie komt van het Latijns zelosus of Grieks zelos, bewijs van een overdreven ijver. St Augustinus zei:  ‘Degene die niet jaloers is, is niet verliefd….’ Of in de woorden van de Franse filosoof  La Rochefoucauld (1613-1680): ‘Er is in de jaloezie meer sprake van eigenwaarde en narcistisch zelfliefde dan van liefde.’ En Montaigne (1533 – 1592) zei het nog duidelijker: ‘Jaloezie is van alle psychische ziekte waarbij de meeste zaken dienen als voeding en minder die tot genezing leiden, waarbij alles wordt aangereikt wat bijdraagt aan de stoornis en niets aan de genezing ervan.’

Hoe om te gaan met een jaloerse partner?

  1. De jaloerse persoon ziet zichzelf als slachtoffer en maakt de ander tot agressor.
  2. Deze verdeling van rollen moet men proberen te vermijden en elkaar proberen te helpen om deze denkbeeldige rivaliteit te stoppen.
  3. Meegaan in het spel van de jaloerse partner is geen optie. Zich niet constant alle vragen laten welgevallen onder het voorwendsel dat je niets te verbergen hebt, levert geen resultaat op.
  4. Ook is het verspilde energie om een beroep te doen op het gezonde verstand.
  5. Mogelijk werkt het beter om zich te focussen op een project wat beiden samen iets in het vooruitzicht stelt.

7 tips hoe te leven met een jaloerse partner

  1.  Let op de symptomen – iemand die jaloers is staat vanbinnen in brand. Zijn obsessies beletten hem een normaal leven te leiden. De slaap wordt verstoord, of zijn werk loopt in de soep.
  2. Het object van zijn obsessies: de anderen
  3. De jaloerse persoon zoekt constant rivalen die zijn liefde komen binnendringen. Hij wil alles verstoren, de banden met collegae, met vrienden. Maar men mag nooit de banden met zijn omgeving daardoor verbreken.
  4. De angst neutraliseren. De jaloerse persoon wordt bevangen door de angst om te worden verlaten en zoekt constant naar bevestiging dat het niet zal gebeuren. Dus benadruk daarom alles wat je samen hebt en samen voor staat om deze angst te bezweren.
  5. Je moet duidelijk grenzen stellen, dwz. zich niet gaan onderwerpen aan politieonderzoek, en ook niet accepteren dat hij je spullen doorzoekt, ook al heb je niks te verbergen.
  6. Weiger de rol van beul. De jaloerse persoon ziet zichzelf als slachtoffer en ziet de geliefde als een eeuwige verdachte die ontrouw is. Laat je niet in deze rol dringen.
  7. Wapen je tegen alle opdringende sms-jes, enz., vooral als ze bedoeld zijn om erachter te komen wat je aan het doen bent en met wie. Eraan toegeven betekent dat je meegaat in een fusionele relatie of te wel symbiotische verstrengeling waar beiden geen eigen identiteit of persoonlijkheid meer kunnen hebben.
  8. Onnodig het gezonde verstand te gebruiken als er crisis is. Daarentegen, als de crisis voorbij is moet er sterk worden aangedrongen dat de jaloerse persoon mogelijk een afspraak met een therapeut moet gaan maken.

hypochondrie-Help dokter, ik ga toch niet dood?

Ze is jong, mooi en zeer succesvol in haar carrière. Kortom, ze heeft alles wat een mens zich in dit leven maar kan wensen. Een lieve man, 2 schatten van kinderen en een schare – mannelijke & vrouwelijke – bewonderaars die haar idealiseren om haar durf en haar intelligentie.

Helaas, de blauwe hemel van dit zondagskind wordt van tijd tot tijd ernstig verstoord door grauwe, grijze donkerwolken. ‘Dan voel ik pijn in mijn hartstreek, of in mijn onderbuik. En dan begint het te gieren in mijn bovenkamer,’ aldus Sandrine in het intakegesprek wat ik met haar had. ‘Ik kan dan niet meer slapen, lig maar te tobben in mijn bed en sta duizenden angsten uit.’

Sandrine houdt het niet meer en belt dan maar – voor de zoveelste keer – haar huisarts. En deze – die Sandrine inmiddels heel goed kent – doet wederom zijn uiterste best om haar te kalmeren. Zonder resultaat, overigens, zoals altijd. Sandrine gelooft haar huisarts niet, want… ‘stel dat, hij iets over het hoofd ziet, of dat hij haar klacht wellicht bagatelliseert….’ Sandrine piekert onverdroten voort tot het moment dat haar pijn in haar borst of onderbuik vanzelf enigszins afneemt. Oeuf, oeuf…

Hypochondrie is een psychische aandoening. Een andere term voor de aandoening is ziektevrees. Wie aan hypochondrie lijdt, is chronisch op een overdreven manier bezig met de klacht of is overmatig angstig om een ernstige lichamelijke ziekte te hebben, terwijl hiervan uit onderzoek niets blijkt. De persoon kan vaak de locatie, ernst en duur van de symptomen gedetailleerd aangeven, maar deze zijn door een arts niet als een duidelijk lichamelijk ziektebeeld te herkennen. Als de patiënt daadwerkelijk een (lichte) ziekte heeft, interpreteert hij/zij het ziektebeeld als veel ernstiger dan het in werkelijkheid is. Als een arts de patiënt heeft onderzocht en de patiënt geruststelt, vreest de patiënt dat de arts de ware oorzaak niet heeft kunnen vinden. Omdat de patiënt er sterk van overtuigd is dat er iets mis is, zijn behandeling en herstel vaak gecompliceerd. Bij hypochondrie hoort het somatiseren, dwz. het  verlichamelijken van emotionele klachten.

 

Volgens tegenstanders bedekt deze term de leemtes van de gezondheidszorg. De geschiedenis heeft aangetoond dat vele groepen patiënten, voorheen gediagnosticeerd als hypochonder, daadwerkelijk lichamelijke afwijkingen hadden. Dit is zo gebeurd met colitis, de ziekte van Crohn, HIV, epilepsie, maagzweren. Naast dat de term gebruikt wordt om de onkunde van de medische wetenschap te verbergen, toont het ook het gebrek aan inlevingsvermogen bij de artsen die zich onvoldoende een voorstelling kunnen maken van de verregaande consequenties op de kwaliteit van leven van sommige aandoeningen.

Edoch, de geschiedenis staat bol van beroemde mensen die hun leven hebben vergald door deze aandoening.

tweelingensyndroom

Le Mans Frankrijk: 2 februari 1933. Léa (1911-2001) en Christine Papin (1905-1937), beter bekend onder de naam van LES SOEURS PAPIN  doden op uiterst wrede manier de mevrouw bij wie ze als werksters in dienst zijn en haar dochter. Als de politie op de plek van het drama aankomt bevinden de twee zusters zich ineen gestrengeld aan elkaar op bed, netjes gewassen en na al hun moordwapens keurig netjes van al het bloed te hebben gezuiverd. Ze bekennen meteen de slachting die ze hebben aangericht. De affaire zal Frankrijk in die dagen en volgende jaren in haar ban houden.  Want is hier sprake van een ‘folie à deux’, dwz. een psychose waarin beide zussen zijn verstrikt geraakt of is dit gewoon een daad tegen de erbarmelijke omstandigheden door hun werkgeefster aan beide zussen opgelegd?

Een exclusieve affectieve symbiose had hen tot dan toe zodanig verbonden met elkaar dat ze elkaar hadden gezworen dat geen enkele persoon, laat staan een man, ze van elkaar zou kunnen scheiden. Edoch, in de gevangenis worden beide zussen die als een onafscheidelijke tweeling tot dan toe hadden geleefd, uit elkaar gehaald. Christine – de oudste van beiden – stort in. Ze lijdt aan hallucinaties, geheugenverlies, vertelt onbegrijpelijke verhalen en kwijnt weg in een religieuze waanzin. Ze sombert weg in een diepe depressieve toestand en weigert systematisch elk voedsel. Ze overlijdt enkele jaren later op de leeftijd van 32 jaar. Léa, de jongste, echter knapt geleidelijk op. Als ze de gevangenis verlaat na het uitzitten van haar straf – 10 jaar dwangarbeid – keert ze terug naar haar eigen moeder, en is ze in staat een eigen leven op te bouwen. Ze werkt als schoonmaakster in diverse hotels, en wordt aangenomen als ze niet meer in staat is tot werken als oppas-oma in een gezin met kleine kinderen. Ze sterft op 89 jarige leeftijd.

We hebben hier te maken met het ‘tweelingensyndroom’, dwz. betr. is hoewel geen deel van een tweeling maar gedraagt zich alsof ze er wel deel van is.

 

Zo was Ankie niet zomaar een vriendinnetje van Amy, maar viel betr. helemaal met haar samen in een hechte, symbiotische relatie. Ze waren als het ware helemaal met elkaar vergroeid en gingen in elkaar op. Amy ging daarbij zo ver dat ze zich ook de moeder van Ankie toeëigende, en deze als haar (2de) moeder ging beschouwen. Toen Amy en Ankie verkering kregen, groeiden ze als zusters/vriendinnen uit elkaar. En Amy ging die leegte opvullen met haar vriend. Met hem viel ze weer helemaal samen. Ze kon niet zonder hem en liet zich hiervoor alles welgevallen, zelfs een tegen haar zin uitgevoerde abortus. Toen deze relatie echt niet langer meer kon omdat hun levensdoelen veel te ver uit elkaar lagen – hij wilde feesten zij wilde zich settelen -, moest ze wel de relatie verbreken, maar daarna braken drie zware jaren aan. Ze was – voor het eerst in haar leven echt alleen, want Ankie – haar oude zielsverwant – had intussen ook haar eigen leven opgebouwd en kon heel goed zonder Amy. Maar Amy niet zonder Ankie. Echter de kaarten lagen nu geheel anders. Ankie had een vriend en ze werd ziek, doodsziek, ze werd stervende. Amy merkte dat ze achteraan in de rij moest sluiten, andere vriendinnen kregen bij Ankie voorrang. Amy kon deze ‘narcistische krenking’ niet verwerken, en probeerde de vriendschap met Ankie te verbreken. Net voor ze stierf, maakte Amy het – voor haar eigen gemoedsrust – nog goed. Maar toen was het kwaad al geschied. De moeder van Ankie – haar zogenaamde 2de moeder – was ook niet langer meer die ideale moeder en verbrak het contact. En nu heeft Amy een nieuwe ‘invulling’ voor haar ‘wederhelft’ gevonden, haar nieuwe vriend, die hoewel niet helemaal passend in dit profiel want is hij druk in de weer met zijn eigen bedrijf en woont ver weg, maar Amy maalt er niet om. Ze heeft zich genesteld in zijn huis en in zijn leven, en het voelt als een warm bad, beaamt ze. ‘Ik ben niet meer somber hoewel hij vele geldproblemen heeft en we geen leuke dingen kunnen doen. Maar dat geef niks want we zijn samen als een eeneiige tweeling. Hoera….,’ aldus Amy.

bipolair, hoe bedoel u?

ik weet nu zeker dat ik echt gek word. Ik kan niet nog eens zo’n verschrikkelijke toestand overleven. Ik voel dat ik het niet meer aan kan. Ik stop ermee….’ Virginia Woolf  (1882 – 1941) schreef deze woorden aan haar man voordat ze zich in de rivier wierp en stierf.

Virgina Woolf – groot romancière – zou nu,  net als andere grootheden – Ernest Hemmingway / Vincent van Gogh / Charles Dickens / Napoléon / Isaac Newtom  en nog vele anderen – bipolair worden gediagnosticeerd.

  • Ernest Hemingway – Nobel prijswinnaar voor de literatuur – werd op eigen verzoek 2maal opgenomen in een kliniek in Minnesota. Hij kreeg er elektroshocks en werd ondergedompeld in sedatieve medicatie, conder resultaat overigens. Hij pleegde zelfmoord, net zoals zijn vader, zijn broer en zijn zuster.
  • Vincent van Gogh – zijn afschuwelijk levensverhaal is meer  dan bekend. Volgens huidig onderzoek leed onze beroemde schilder aan ‘hypo manische, psychotische perioden met hallucinaties en compleet verlies van de realiteit’.  Een bipolaire stoornis die hem bracht tot een zelfmoord, maar die hem ook inspireerde tot fenomenale schilderwerken.
  • Charels Dickens was, volgens zijn excellente biograaf Simon Callow,  ‘labiel’ die zich verloor in zijn personages van zijn romans die hij beschouwde als zijn eigen werkelijkheid.
  • En wat te denken van Napoléon met zijn onvoorspelbare moodswings die zonder enige rustpauze maar door kon gaan en uren en uren op zijn paard kon doorbrengen zonder ook maar enige vermoeidheidsverschijnselen waar te nemen.
  • Isaac Newton, groot natuurkundige en wiskundige avant la lettre, die nooit de dood van zijn moeder heeft kunnen verwerken. Slachtoffer van periodes van zware depressies sloot hij zich – drie jaar lang – op in zijn laboratorium en bleef hij overgevoelig voor wisselende periodes van manische periode die werden gekenmerkt door paranoïde crises.

tatoeages-nieuwe wijn in oude vaten

Hij is een leuke jongeman, een zo’n type uit de jaren ’60, een alternatief hippie-figuur, zo u wilt. Nee, niet echt een jongeman van chill en ‘zie mij nou eens’. Goedlachs en innemend, meer ‘het zachte wollen geiten type’ dan de kaalgeschoren machoman met een slordig uitziend maar o zo bestudeerd stoppelbaardje.

We ontmoeten elkaar in hartje zomer, en terwijl we aan de praat raken wordt mijn oog getrokken naar zijn smalle – inderdaad wel zeer iele – beentjes, wellicht iets te mager en bodyloos. Onze vriend heeft zijn kuiten beschilderd met een enorm schouwspel aan bont gekleurde tekeningen. Als mijn oog al te opvallend hiernaar toe wordt getrokken, schuifelt hij wat onrustig op en neer op zijn stoel en vraagt enigszins meesmuilend: ‘Mooi, hè?’ Mijn aarzelend gehakkel van ‘tja,tja, wat zal ik zeggen’, brengt hem van zijn stuk en hij begint te vertellen.

‘Kijk, ik vond me niet echt een zelfverzekerde uitstraling hebben. Vooral in mijn puberteit en jonge jaren als twintiger kon en durfde ik niet echt de sier te maken. Ik kon nou niet bepaald – om met de Fransen te spreken – “rouler les mecaniques”. En toen zag ik bij mijn neef – mijn grote voorbeeld – op z’n arm een prachtig mooie tekening getatoeëerd. Ik was “flabbergasted” en ontroerd. Zoiets wil ik ook hoorde ik mezelf uitroepen.

Hij stroopt ineens zijn mouwen van z’n T-shirt op en laat een tatoeage op zijn bovenarm zien. ‘Kijk maar, hoe uniek deze tekening is. Niemand, maar danook niemand in de hele wereld heeft dezelfde gravure op zijn lichaam als ik.’ En enthousiast gaat hij verder: ‘En deze,‘ waarbij hij zijn andere mouw opstroopt, ‘is ook uniek.‘ Hij grijnst breeduit en barst vervolgens in schaterlachen uit, terwijl hij trots en met groots gebaar wijdbeens bezit neemt van zijn stoel en zijn armen vouwt achter zijn hoofd. Mijn weifelende kritiek van ‘ik zie het unieke niet zo’, slaat dood tegen zijn dovemans oren.

Waar komt de rage van de jeugd vandaan om zich en masse te laten tatoeëren? Want inderdaad kunnen we welhaast van een rage spreken. Het is zo’n gemeengoed geworden om het lichaam op te sieren met allerlei breed uitgesponnen plaatjes, teksten of anderszins van – vaak onooglijke – figuren dat zelfs het ‘braafste meisje van de klas uit het Gooi en van goede komaf’ ergens op haar arm, been, schouder of borst – noem het lichaamsdeel maar op, er is ergens wel een plekje te vinden – zich ermee heeft getooid.

Tatoeages en het lichaam opsieren is zo oud als de mensheid zelf. In elke primitieve stam sierde de oermens bij bepaalde gelegenheden zijn / haar lichaamsdelen op en vormde dit een essentieel onderdeel in het ritueel. Mensen in primitieve stammen bestonden niet als individu, men was slechts een (onder)deel van het collectief. Niemand was uitzonderlijk, men was een totaal geheel. Tatoeëren had dan als doel om ‘iemand’ – al is het maar in een rol of ritueel – te mogen zijn. Zo werd in het lichaam letterlijk ingeschreven wie of wat die ‘iemand’ op dat moment mocht zijn. Het lichaam als uiting van je ‘persoonlijkheid’, van iemands ‘individualiteit’, want in de stam was je niet iemand, maar gewoon ‘niemand’, gewoon als alle anderen.

Onze moderne jeugd is enigszins geworden als zo’n primitieve stam. Ook bij de jeugd ben je niet meer ‘iemand’ maar gewoon ‘niemand als alle anderen’ met I-Phone, facebook, I-Pad, en ga zo maar door. Wie stijgt er nog boven de massa uit? Want hoewel de jonge dertiger zich suf pijnigt hoe hij / zij alle talenten naar boven kan halen, is deze tegelijkertijd zeer bevreesd om de kop boven het maïsveld uit te steken. Hoe kunnen we nog in deze Mc Donald tijd echt uniek zijn en dat ook laten zien? Want uniek willen we nog altijd wel zijn, maar we hebben geen middel meer om dat aan anderen te tonen. Of toch wel…. Juist ja, net als de primitieve mens in de oertijd. Je lichaam opsieren en hopen dat anderen dat dan vertalen als je eigen persoonlijkheid en je eigen individualiteit. Inderdaad ‘l’histoire se repète‘, zoals – wederom – het Franse spreekwoord treffend luidt.